Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de berekening van de legitieme van een afstammeling de erflater, waarvan de vaderschap rechtens was vastgesteld.

Appellant is krachtens testament de enige en algehele erfgenaam in de nalatenschap. In zijn testament heeft erflater de erfgenaam tevens benoemd tot executeur van zijn nalatenschap.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vastgesteld.

In geschil is of geïntimeerde als afstammeling van de erflater recht heeft op zijn legitieme portie en zo ja, wat de waarde is en hoe de legitieme portie moet worden berekend (de legitimaire massa).

Vaststelling van vaderschap. Is kind afstammeling van de erflater? Beroep op legitieme. Omvang van de legitieme. Verrekening?

De rechter oordeelt als volgt.

In zijn eerste, meest verstrekkende grief herhaalt de erfgenaam zijn stelling in eerste aanleg, dat geïntimeerde geen afstammeling is van erflater en derhalve geen aanspraak kan maken op een legitieme portie.

Hij voert daartoe in de kern het volgende aan. Weliswaar is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde in rechte vastgesteld, maar geïntimeerde heeft in die procedure de rechtbank bewust misleid met de stelling dat hij pas in 2012 door DNA-onderzoek op de hoogte is geraakt van zijn verwantschap met erflater, terwijl de uitslag van dit onderzoek reeds in 2003 bij geïntimeerde bekend was.

De rechter is van oordeel dat de eerste grief van de erfgenaam faalt.

Zoals geïntimeerde terecht stelt, is de beschikking waarbij het vaderschap van erflater ten aanzien van geïntimeerde is vastgesteld inmiddels in kracht van gewijsde gegaan, zodat deze beslissing in het onderhavige geding tussen partijen bindende kracht heeft.

Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechter het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vast.

Anders dan de erfgenaam kennelijk meent, kan een kind te allen tijde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doen, ook indien de persoon van wie het vaderschap moet worden vastgesteld, inmiddels is overleden. Aan dit verzoek is geen vervaltermijn is verbonden.

Nu geïntimeerde als afstammeling van erflater door de wet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater wordt geroepen, is hij op grond van artikel 4:63 lid 2 BW legitimaris en heeft hij recht op zijn legitieme portie, bestaande uit een vordering in geld op het vermogen van erflater.

De afstammeling is door een beroep te doen op zijn legitieme portie geen erfgenaam geworden.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.

In zijn overige grieven II tot en met IV betoogt appellant dat de rechtbank de legitimaire massa op twee onderdelen onjuist heeft vastgesteld. Het hof zal deze hierna bespreken.

Volgens de erfgenaam had erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering van € 126.385,- inclusief rente op de afstammeling, vanwege door erflater ten behoeve van de afstammeling gedane betalingen aan derden.

Bij de vaststelling van de legitimaire massa dient met dit bedrag nog rekening te worden gehouden.

In zijn memorie van antwoord  stelt appellant dat hij persisteert dat het bedrag van € 126.385,- in mindering moet worden gebracht op de legitimaire massa omdat dit bedrag ten behoeve van geïntimeerde door erflater is betaald.

De rechter is van oordeel dat voormelde geldvordering van erflater deel uitmaakt van de goederen van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:65 BW en derhalve alsnog bij de waarde van die goederen van de nalatenschap moet worden opgeteld.

De rechter overweegt voorts dat het procesdossier onvoldoende relevante gegevens bevat om te kunnen vaststellen of de vordering betrekking heeft op schulden van de afstammeling.

Daar komt bij dat partijen hieromtrent wisselende stellingen innemen. De afstammeling heeft in eerste aanleg nog betwist dat erflater schulden voor zijn rekening zou hebben genomen.

De rechter begrijpt uit de stellingname van de erfgenaam dat hij een beroep op verrekening doet, in die zin dat de door hem gestelde schuld van de afstammeling aan erflater ad € 126.385,- op de legitieme portie van geïntimeerde in mindering moet worden gebracht.

Dat erflater een vordering op de afstammeling had, staat echter blijkens het door partijen gevoerde debat in het geheel niet vast, zodat voor het toepassen van verrekening geen plaats is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.