De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitgestelde opeisbaarheid van de legitieme portie.
Tussen partijen bestaat discussie over de omvang en opeisbaarheid van de legitieme portie van eiseres.
Ten aanzien van de opeisbaarheid van de legitieme portie stelt eiseres zich op het standpunt dat de legitieme portie opeisbaar is, althans voor 999/1000ste deel.
Zij voert daarbij aan dat erflater op grond van artikel 4:82 Burgerlijk Wetboek (BW) weliswaar de bevoegdheid had om bij testament te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is na het overlijden van gedaagde, maar slechts voor wat betreft het deel dat gedaagde toekomt, namelijk 1/1000ste deel.
In artikel 4:82 BW is namelijk het volgende bepaald: ‘Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking (…) de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens overlijden.’
Verder stelt eiseres dat de legitieme portie een geldschuld is, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen ex artikel 4:80 lid 1 BW en dat elk van de erfgenamen deze geldschuld aangaat naar evenredigheid van zijn erfdeel ex artikel 4:182 lid 2 BW.
Nu gedaagde erfgenaam is voor 1/1000ste deel van de nalatenschap, heeft erflater volgens eiseres niet de mogelijkheid om de schuld aan eiseres voor het 999/1000ste deel uitgesteld opeisbaar te maken.
Gedaagde voert verweer en stelt dat de wettelijke verdeling door erflater in artikel F van het testament van toepassing is verklaard, waardoor aan gedaagde de goederen van de nalatenschap worden toebedeeld onder de verplichting de schulden te voldoen.
Gelet hierop is de legitieme portie – in het licht van het bepaalde in artikel 4:82 BW – niet slechts voor 1/1000ste, maar in haar geheel niet opeisbaar.
Duidelijk is dat erflater gedaagde beschermd heeft willen achterlaten.
Volgens eiseres is de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW echter niet van toepassing op de nalatenschap, omdat gedaagde en erflater niet getrouwd en geen geregistreerd partners waren, waardoor niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.
Erfrecht. Legitieme. Opeisbaarheid van de legitieme. Uitgestelde opeisbaarheid van de legitieme portie. Levensgezel. Wettelijke verdeling. Verplichting om schulden te voldoen.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt dat in artikel 4:82 BW aan een testateur de bevoegdheid is toegekend om bij uiterste wilsbeschikking te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is na het overlijden van de langstlevende echtgenoot.
Artikel 4:82 BW bepaalt verder dat de levensgezel gelijkgesteld is aan de echtgenoot voor zover de testateur een gemeenschappelijke huishouding met die levensgezel voerde en met die levensgezel een samenlevingsovereenkomst is aangegaan.
Niet in geschil is dat gedaagde een levensgezel is waarop artikel 4:82 BW van toepassing is.
Gelet op het voorgaande was erflater dus bevoegd om te bepalen dat de legitieme portie pas opeisbaar is bij het overlijden van gedaagde.
De vraag is vervolgens of de gehele legitieme portie of slechts een deel daarvan pas opeisbaar is bij het overlijden van gedaagde.
De rechtbank overweegt allereerst dat voor toepassing van artikel 4:82 BW niet beslissend is of en in hoeverre de levensgezel voor de schuld aan een legitimaris is verbonden maar of en in hoeverre de vordering van een legitimaris ten laste zou komen van die levensgezel.
Alleen dat deel dat ten laste komt van [gedaagde] is dus op grond van artikel 4:82 BW pas opeisbaar bij haar overlijden.
Erflater heeft onder F van het testament bepaald dat de nalatenschap moet worden verdeeld conform de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW, zodat alle tot de nalatenschap behorende goederen aan gedaagde moeten worden toegedeeld, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.
Verder heeft hij bepaald dat de overige erfgenamen een geldvordering ten laste van gedaagde krijgen ter grootte van de waarde van hun erfdeel.
Erflater lijkt hiermee de wettelijke verdeling van toepassing te hebben willen verklaren.
Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat dat niet mogelijk is nu erflater en gedaagde niet gehuwd en geen geregistreerd partners waren.
De notaris heeft in zijn e-mail van 20 november 2024 aangegeven dat het testament een quasi-quasi wettelijke verdeling bevat.
De rechtbank overweegt dat de bedoeling van erflater gezien de tekst van het testament en de informatie van de notaris volstrekt helder is.
De vraag is echter of de bedoelde zogenaamde quasi-quasi wettelijke verdeling tot stand kan worden gebracht door enkel het opnemen van de bepaling onder F.
De rechtbank beantwoord deze vraag ontkennend.
Om een quasi-quasi wettelijke verdeling tot stand te brengen moet de wettelijke verdeling immers worden nagebootst.
Dit kan op meerdere manieren, bijvoorbeeld door het instellen van een afwikkelingsbewind waarbij de partner tot afwikkelingsbewindvoerder wordt benoemd en de bewindvoerder als vertegenwoordiger van de erfgenamen de bevoegdheid krijgt om de goederen van de nalatenschap aan zichzelf toe te delen.
In het testament is echter in het geheel geen invulling gegeven aan de quasi-quasi wettelijke verdeling.
Dit betekent dat de bepaling onder F geen effect sorteert.
Dit leidt ertoe dat aan gedaagde op grond van het testament niet de goederen van de nalatenschap kunnen worden toebedeeld onder de verplichting de schulden te voldoen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.