Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een onterving in een testament nietig was wegens de wilsonbekwaamheid van de erflater.
Appellant stelt dat zijn vader toen hij in 2016 zijn testament maakte zijn wil niet meer kon bepalen en dat de uiterste wilsbeschikkingen in dat testament nietig zijn vanwege wilsonbekwaamheid.
Het hof zal beslissen dat appellant bewijs mag leveren van zijn stelling dat de uiterste wilsbeschikkingen in het testament van zijn vader nietig zijn vanwege wilsonbekwaamheid en licht dat hierna toe.
Erfrecht. Legitieme. Onterving. Nietig testament wegens wilsonbekwaamheid erflater? Is de onterving nietig? Bewijs. Stelplicht. Toelaten tot het bewijs. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Het gaat hier om de vraag of in 2016 de wil van vader aan de door hem in zijn testament opgenomen verklaringen ontbrak en of daardoor de uiterste wilsbeschikkingen die hij daarin heeft gemaakt nietig zijn.
Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW.
Artikel 3:34 lid 1 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Artikel 3:34 lid 1 BW luidt als volgt:
“Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.”
De tweede zin van lid 2 van artikel 3:34 BW bepaalt dat het ontbreken van de wil een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, zoals uiterste wilsbeschikkingen, nietig maakt.
Wie zich zoals appellant erop beroept dat bij vader in verband met een stoornis van diens geestesvermogens de wil tot het opmaken van de uiterste wilsbeschikking ontbrak, zal – gelet op de bewijsvermoedens van art. 3:34 lid 1 BW (“geacht te ontbreken”) – ermee kunnen volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat
(a) erflater ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking leed aan een geestelijke stoornis en
(b) voorts dat deze stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen belette ofwel dat de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan.
De grieven komen erop neer dat appellant – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – voldoende stelt om te worden toegelaten te bewijzen dat vader bij het maken van zijn testament in 2016 wilsonbekwaam was vanwege een geestelijke stoornis en dat daardoor de door hem in dat testament gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, in het bijzonder de onterving van appellant, nietig zijn.
In de regel zal appellant aan zijn stelplicht voldoen door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt.
Appellant heeft zijn stelling dat vaders geestvermogens in 2016 gestoord waren en dat die stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die bij zijn uiterste wilsbeschikkingen waren betrokken onderbouwd met het journaal van de huisarts.
Dat journaal ondersteunt zijn stelling.
Dat op zich is voldoende om vast te stellen dat appellant aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Daar komt nog bij dat geïntimeerde op de mondelinge behandeling niet in staat bleek de vragen van het hof over de gang van zaken adequaat te beantwoorden.
Zij verwees voor antwoorden op die vragen vooral naar haar zus die echter op die mondelinge behandeling niet aanwezig was.
Daardoor bleef onduidelijk wat er precies in 2016 is gebeurd.
De feiten die appellant wil bewijzen zijn relevant voor de beoordeling van zijn vorderingen.
Als komt vast te staan dat sprake was van een stoornis van vaders geestvermogens die een redelijke waardering van de betrokken belangen belette leidt dat ertoe dat de onterving van appellant nietig is.
Zijn bewijsaanbod is ook voldoende specifiek.
Hij heeft aangeboden de notaris en de kandidaat-notaris als getuigen te doen horen omdat hij wil aantonen dat de notaris en de kandidaat-notaris zich onvoldoende ervan hebben overtuigd dat erflater ook werkelijk wilde wat hij in zijn testament heeft verklaard.
Daarvoor is ook wel aanleiding.
De notaris heeft op vragen van de advocaat van de zussen geantwoord:
“Zoals u weet moet een notaris een zorgvuldig onderzoek doen of een cliënt in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De notaris zal bij dit onderzoek onder meer beoordelen of de cliënt de (betekenis van betreffende) informatie begrijpt. Indien de notaris tot een positief oordeel komt en er geen aanleiding is tot een nader onderzoek kan en zal een akte ondertekend (kunnen) worden. U begrijpt dat ik op overige inhoudelijke vragen niet kan antwoorden.”
Dat antwoord is heel algemeen en zegt nog niets over de concrete gang van zaken rond het maken van het testament van vader in 2016.
Appellant heeft verder aangeboden de huisarts te doen horen als getuige, omdat zij vader op zijn sterfbed heeft begeleid en kan toelichten wat zij in haar journaal van de laatste dagen van vader heeft vermeld.
Dat vader op 12 december 2015 zelf zou hebben opgeschreven dat appellant wordt onterfd betekent nog niet dat de onterving in 2016 geldig is.
In dit geding gaat het immers om de vraag of hij in 2016 wilsbekwaam was.
De slotsom is dat het hof appellant zal toelaten zijn stelling te bewijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.