De Rechtbank Midden-Nederland heeft onlangs uitspraak gedaan over de reikwijdte van de plicht tot informatieverstrekking ter berekening van de legitieme portie.
Eisers zijn de kinderen van erflater.
Erflater is van 1957 tot 1976 gehuwd geweest met hun moeder.
Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
Erflater is in 1978 gehuwd met gedaagde onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting.
Dit huwelijk is op in 2024 ontbonden door de dood van erflater.
Erflater heeft op 27 maart 2017 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt.
In zijn testament heeft hij eisers onterfd en gedaagde benoemd tot enig erfgenaam en executeur.
Eisers hebben een beroep gedaan op hun legitieme.
Zij vorderen in de hoofdzaak dat de rechtbank de hoogte van hun legitieme vaststelt en gedaagde veroordeelt om de legitieme aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Erfrecht. Legitieme. Informatieverstrekking ter berekening van de legitieme portie. Reikwijdte. Toetsingskader. Inzage in bankafschriften. Giften. Huwelijkse voorwaarden.
De rechter oordeelt als volgt.
Het toetsingskader
Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW heeft een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft.
Ook moeten zij hem op zijn verzoek alle benodigde inlichtingen verschaffen.
Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is (zoals uit de tekst van het wetsartikel blijkt) wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft.
Artikel 4:78 geeft de legitimaris geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater.
Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam/partner op privacy.
Eisers hebben gesteld dat zij de bankafschriften nodig hebben om de verklaring van gedaagde te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme, door gedaagde gesteld op € 1.426,82 per kind.
Verder hebben eisers gesteld dat de bankafschriften nodig zijn om te kunnen onderzoeken of erflater leningen heeft verstrekt en/of er sprake is van een vergoedingsrecht van erflater (en dus van de nalatenschap) op gedaagde of van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden (kosten huishouding).
De rechtbank is van oordeel dat gedaagde aan eisers voldoende informatie heeft verstrekt om de legitieme te kunnen berekenen en controleren.
Daarvoor hebben eisers de bankafschriften niet nodig.
Gedaagde heeft aan eisers namelijk onder meer al de volgende documenten ter beschikking gesteld:
- een boedelbeschrijving, met onderliggende bescheiden over onder meer de kosten van de uitvaart;
- afschriften van de vier en/of-rekeningen van gedaagde en erflater per datum overlijden bij ABN AMRO;
- financiële jaaroverzichten van ABN AMRO vanaf 2020 t/m 2023 waaruit het verloop van deze vier rekeningen bij ABN AMRO blijkt;
- de gezamenlijke IB-aangiften en aanslagen 2018 t/m 2023 van erflater en gedaagde, waaruit onder meer het inkomen van beiden en hun vermogen in box 3 blijken;
- Rekeningafschriften ter onderbouwing van de wijze waarop de aflossing van de hypotheek volgens gedaagde is gefinancierd.
Partijen zijn het over eens dat de helft van de saldi op de vier en/of-rekeningen tot de nalatenschap behoort en dat eisers geen privébankrekeningen had.
In lijn daarmee heeft gedaagde de helft van die saldi per sterfdatum opgenomen in de boedelbeschrijving.
Uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en/of-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien.
Gegeven het relatief bescheiden inkomen dan erflater en gedaagde (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, wijst die stijging er niet op dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme.
Verder duidt dit er evenmin op dat er leningen zijn verstrekt.
Uit de aangiften inkomstenbelasting blijkt ook niet van het bestaan van uitstaande vorderingen, die alsnog op de boedelbeschrijving zouden moeten worden geplaatst.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers evenmin voldoende belang bij de rekeningafschriften om te onderzoeken of sprake is van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden.
Het is wel waarschijnlijk dat erflater meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan gedaagde, maar daar was hij ook toe verplicht omdat zijn inkomen hoger was.
Verder duidt de toename van de saldi op de en/of-rekeningen er niet op dat het gezamenlijke inkomen ontoereikend was om de kosten van de huishouding te betalen.
Een onderzoek of wel naar rato van vermogen is bijgedragen in de kosten van de huishouding is daarom niet aan de orde.
Overigens bevatten de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding van een jaar voor verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding.
Wat dan rest is een eventueel vergoedingsrecht van de nalatenschap op gedaagde, dat zou kunnen volgen uit de wijze waarop de hypotheekschuld is afgelost.
Eisers hebben expliciet op die aflossing gewezen.
Deze hypotheekschuld betrof de woning, waarin erflater en gedaagde samenwoonden en die uitsluitend eigendom was en is van gedaagde.
Deze bedroeg op 1 januari 2018 nog € 42.500,- op 1 januari 2019 € 36.125,- en op 1 januari 2021 € 30.706,- waarna de hypotheekschuld in 2021 geheel is afgelost.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde echter voldoende uiteengezet en met stukken onderbouwd hoe de aflossingen zijn gefinancierd.
Daarvoor is niet nodig dat zij alle afschriften van de en/of-rekeningen verstrekt.
Overigens volgt uit hetgeen gedaagde zelf stelt dat er in 2021 uit gezamenlijke middelen € 16.000,- is afgelost op de hypotheekschuld, hetgeen duidt op een vermogensoverdracht van eisers naar gedaagde van € 8.000,-.
De beoordeling van de stelling van gedaagde dat dit de voldoening van een natuurlijke verbintenis betrof is van juridische aard.
Ook daarvoor zijn de bankafschriften niet nodig.
De rechtbank geeft partijen overigens dringend in overweging met elkaar in overleg te treden ten behoeve van een minnelijke regeling, gelet op het geringe financiële belang van de zaak en het feit dat de legitieme, anders dan waarvan eisers bij dagvaarding nog uitgingen, niet eerder dan na het overlijden van gedaagde opeisbaar is.
Het ware beter geweest als gedaagde eisers hiervan tijdig in kennis had gesteld door hen niet alleen een uittreksel van het testament, waaruit dit niet bleek, maar het testamant in zijn geheel ter beschikking te stellen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.