De Rechtbank Den Haag heeft op 11 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag per wanneer de langstlevende ouder rente verschuldigd was over de legitieme portie.

Eiser en gedaagde zijn broer en zus.

Partijen verschillen over de uitleg van een notariële akte uit 2006.

Die akte gaat over de vordering van eiser en gedaagde op hun moeder in verband met het overlijden van hun vader.

Gedaagde is de enige erfgenaam van moeder en moet de vordering nog aan eiser uitbetalen.

Over die vordering is wettelijke rente verschuldigd, dat staat in de notariële akte uit 2006.

Maar liep die rente al vanaf de overlijdensdatum van vader in 2003, wat eiser stelt, of is die rente pas gaan lopen vanaf het overlijden van moeder in 2021, zoals gedaagde stelt?

Erfrecht. Legitieme. Wettelijke rente. Uitleg van een notariële akte. Vanaf wanneer is de langstlevende ouder rente verschuldigd over de legitieme portie? Schenking? Overgangsrecht.

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser en gedaagde zijn geboren uit het huwelijk van vader en mevrouw A (verder: moeder).

Hun ouders zijn gescheiden en daarna weer ongehuwd gaan samenwonen.

Vader is op 14 augustus 2003 overleden en moeder op 22 februari 2021.

Op 7 maart 2006 is in een notariële akte de vordering op moeder van eiser en gedaagde elk vastgesteld op € 38.341,50.

Die vordering komt uit hun legitieme portie in de nalatenschap van vader.

In de notariële akte wordt dit bedrag voor beiden aangeduid als ‘de hoofdsom’.

In de notariële akte is op genomen dat ‘in aanvulling op en in afwijking van het in de wet bepaalde, de navolgende bepalingen en bedingen van toepassing’ zijn op de vordering van eiser.

Met ‘de overlijdensdatum’ in sub a van de geciteerde bepalingen en bedingen die gaan over de vordering van eiser op moeder, wordt de overlijdensdatum van vader bedoeld, dus 14 augustus 2003.

Vanaf die datum kan eiser aanspraak maken op een rente gelijk aan de wettelijke rente.

Op grond van artikel 4:81 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) was de vordering uit de legitieme portie opeisbaar vanaf zes maanden na het overlijden van vader.

Vader en moeder waren niet gehuwd en hadden ook geen geregistreerd partnerschap toen vader overleed.

Moeder kon daarom geen aanspraak maken op de regel die staat in artikel 129 van de Overgangswet Nieuw BW dat de vordering uit de legitieme portie pas na haar eigen overlijden opeisbaar zou worden.

De betrokkenen kunnen dat wél overeenkomen en dat is precies wat hier is gebeurd.

Dat blijkt uit sub b van de geciteerde bepalingen en bedingen, waarin ook naar artikel 129 van de Overgangswet wordt verwezen.

Eiser en gedaagde hebben in de akte afstand gedaan van hun recht om hun vordering uit de legitieme portie op te eisen vóórdat moeder zou zijn overleden.

Dat was ten gunste van moeder.

Het ligt voor de hand dat daar een vergoeding tegenover stond in de vorm van rente die moeder verschuldigd werd.

Omdat de afstand van recht gaat over de periode dat moeder nog leeft, ziet ook de rente al op die periode.

Daarom is het vertrekpunt van de rechtbank bij de uitleg van de tekst van de notariële akte dat als ingangsdatum van de rente de overlijdensdatum van vader geldt.

In de notariële akte is – onder het kopje ‘Deelgerechtigdheid’ voorafgaand aan de geciteerde bepalingen en bedingen – vermeld dat, aangezien moeder de enige erfgenaam van vader is, de comparanten (moeder, eiser en gedaagde) de overlijdensdatum van vader nemen als peildatum waarop de vorderingen van eiser en gedaagde op moeder uit de legitieme portie in de nalatenschap van vader zijn ontstaan.

Gegeven die peildatum moet ‘de overlijdensdatum’ in de bepalingen en bedingen die daarna over deze vordering volgen, worden begrepen als de overlijdensdatum van vader.

Het argument van gedaagde dat deze datum al bekend was bij het passeren van de notariële akte en dus daarin vermeld had kunnen worden, is omkeerbaar.

Juist omdat deze datum al bekend was, hoefde die niet met zoveel woorden in de akte te worden vastgelegd.

Dat de woorden ‘de overlijdensdatum’ zijn gekozen voor de datum van het overlijden van moeder, omdat die datum toen nog onbekend was, volgt dus niet uit dit argument van gedaagde.

In de geciteerde bepalingen en bedingen is sub b de overlijdensdatum van moeder genoemd als peildatum voor de opeisbaarheid van de vorderingen uit de legitieme.

Die datum wordt niet omschreven als ‘de overlijdensdatum’.

Het argument van gedaagde dat dit weinig zegt over de peildatum voor de rente, omdat het sub b niet gaat over de rente, maar over de opeisbaarheid is zwak en wordt gepasseerd.

Gedaagde verdedigt de stelling dat overal in de geciteerde tekst ‘de overlijdensdatum’ die van moeder is.

Dan hadden precies die woorden ook kunnen worden gebruikt sub b.

Maar dat gebeurt juist niet, reden om ‘de overlijdensdatum’ elders in de tekst uit te leggen als ‘de overlijdensdatum van vader’.

In het testament van vader is moeder benoemd tot de enige erfgenaam.

In dat testament wordt ervan uitgegaan dat zij een rente aan de legitimarissen (eiser en gedaagde) verschuldigd is.

Toegegeven kan worden aan gedaagde dat dit niet neerkomt op een bindende verplichting voor moeder, maar in de notariële akte lijkt te zijn aangesloten bij het testament van vader.

In beide stukken wordt gesproken van enkelvoudige rente.

Dat wekt sterk de indruk dat moeder, eiser en gedaagde hebben willen handelen in het verlengde van het testament van vader en dus een rente hebben willen afspreken die al verschuldigd was bij leven van moeder.

Sub e van de geciteerde bepalingen en bedingen vermeldt dat de vorderingen met de daarover verschuldigde rente niet opeisbaar zijn als moeder voldoende zekerheid zou stellen.

Dat kan niet anders dan betekenen dat de rente al wordt berekend over de vorderingen uit de legitieme portie tijdens het leven van moeder, dus niet pas vanaf haar overlijdensdatum.

Met ‘de overlijdensdatum’ in de notariële akte moet dus wel die van vader zijn bedoeld.

Ook hier is het tegenargument van gedaagde zwak.

Gedaagde wijst erop dat deze bepaling pas geldt als moeder surseance van betaling zou krijgen of in de wettelijke schuldsaneringsregeling zou komen.

De wettelijke rente zou de vordering van eiser en gedaagde dan wat groter maken, wat hun een betere positie tegenover de schuldeisers van moeder zou geven.

Dit argument negeert compleet wat er sub b staat bij nummer 2, namelijk dat moeder ook zekerheid kan stellen als zij een bepaalde uitkering op grond van de wet zou krijgen.

Dan zijn er helemaal geen schuldeisers tegenover wie eiser en gedaagde een betere positie zouden moeten krijgen.

De conclusie uit dit alles is dat ‘de overlijdensdatum’ in de notariële akte die van vader is, 14 augustus 2003.

Gedaagde betoogt dat de wil van moeder niet was gericht op het betalen van rente aan eiser, omdat zij een slechte verhouding hadden en moeder eiser zelfs had onterfd.

Deze stelling moet gedaagde uitleggen en onderbouwen en dat deed zij onvoldoende.

Eiser is inderdaad (impliciet) onterfd, doordat moeder in haar testament gedaagde als enige erfgenaam aanwees.

Maar dit was ruim twee jaar later.

Dat de verhoudingen bij het passeren van de notariële akte zo slecht waren dat moeder toen geen rente aan eiser verschuldigd wilde raken, blijkt niet uit het dossier van de rechtbank.

Als de verhouding met eiser slecht was en die met gedaagde goed, is niet duidelijk waarom tussen hen dan geen onderscheid is gemaakt in de notariële akte.

Moet de rechtbank het zo begrijpen dat gedaagde dan ook maar genoegen nam met de latere rentedatum, waarop moeders wil bij eiser zou zijn gericht?

Dat ligt niet meteen voor de hand en gedaagde stelt hierover verder niets dat tot een ander inzicht kan leiden.

De rente staat tegenover de afstand van recht die eiser en gedaagde deden om tijdens het leven van moeder al aanspraak te maken op hun legitieme portie door hun vordering van € 38.341,50 op te eisen.

Dat wijst ten eerste niet op een heel slechte verhouding tussen eiser en moeder.

Het laat ook zien dat die rente niet (zoals gedaagde betoogt) een soort schenking was van moeder aan eiser, die door de slechte verhoudingen niet voor de hand lag.

De overeengekomen rente is geen schenking, maar een vergoeding voor het feit dat eiser en gedaagde afstand deden van hun recht hun vordering tijdens het leven van moeder op te eisen.

Gedaagde heeft dus onvoldoende uitgelegd en onderbouwd dat de wil van moeder er niet op was gericht om aan eiser rente verschuldigd te raken vanaf de overlijdensdatum van vader.

Laat staan dat gedaagde voldoende gesteld heeft om de conclusie te kunnen trekken dan eiser het ontbreken van die wil bij moeder had moeten begrijpen.

En ook dát is nodig om deze rente-afspraak te kunnen aantasten.

Gedaagde betoogt dat moeder nooit in verzuim is geraakt met het betalen van de vordering van [eiser], omdat dit pas na haar overlijden zou hoeven.

Dat is juist.

Maar toch was moeder rente aan eiser verschuldigd.

Gedaagde gaat er ten onrechte van uit dat het hier gaat om wettelijke rente, die pas na verzuim verschuldigd is.

Het is echter overeengekomen rente die meteen al gaat lopen zonder dat de hoofdsom betaald hoefde te worden.

Dat die overeengekomen rente qua hoogte gelijk is aan de wettelijke rente – ook die hoogte zijn de betrokkenen overeengekomen – maakt haar nog niet tot wettelijke rente.

Het argument van gedaagde wordt verworpen.

De rente is verschuldigd.

Verjaring?

Overeengekomen is verder dat de rente niet kon worden opgeëist vóór het overlijden van moeder.

Zonder opeisbaarheid gaat er geen verjaringstermijn lopen.

Het overlijden van moeder was in 2021, te kort geleden om aan verjaring toe te komen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.