Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juli 2022 uitspraak gedaan over de vraag of giften, langer dan vijf jaar vóór het overlijden door erflater gedaan, ook meetelden bij het vaststellen van de legitimaire massa.
Erflater is overleden op 18 november 2015.
Vanaf oktober 2014 woonde erflater in een verzorgingshuis, een verzorgingstehuis met kleinschalige woongroepen bedoeld voor mensen die lijden aan dementie en fysieke beperkingen.
Daarvoor woonde erflater in een bejaardentehuis.
Erflater heeft op 15 oktober 2015 bij testament over zijn nalatenschap beschikt.
Het testament komt erop neer dat appellante enig erfgename van erflater is.
Tevens is appellante benoemd tot executeur-testamentair.
Binnen drie maanden na het overlijden van erflater diende appellante een boedelbeschrijving op te maken en die aan de erfgenamen ter beschikking te stellen.
Appellante, die de stiefdochter van erflater is, heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
Appellante heeft ook haar benoeming tot executeur-testamentair aanvaard.
Op 10 december 2015 heeft appellante bij de rechtbank Midden-Nederland een Voorlopige Boedelbeschrijving gedeponeerd.
Geïntimeerde heeft bij brief van 28 december 2015 aan appellante als zoon van erflater een beroep gedaan op zijn legitieme portie.
Tevens verzocht hij appellante een volledige beschrijving van de bezittingen van erflater te maken en om alle bankafschriften in de periode van twee jaar voor het overlijden van erflater.
Appellante heeft bankafschriften over de periode 25 mei 2015 tot 1 januari 2016 in het geding gebracht.
Via andere weg hebben geïntimeerden de beschikking gekregen over de bankafschriften over de periode 1 januari 2008 tot 25 mei 2015.
Alle bankschriften zijn in de procedure overgelegd.
Geïntimeerden hebben bij brief van 5 april 2017 aan appellante een beroep gedaan op hun legitieme portie als kleinkinderen van erflater.
Hun vader, zoon van de erflater, was voor zijn vader overleden.
Erfrecht. Legitieme. Berekening van de legitimaire massa. Giften. In aanmerking te nemen giften gedaan binnen vijf jaar voor het overlijden van de erflater. Tellen oudere giften ook mee? Redelijkheid en billijkheid. Mantelzorg.
De rechter oordeelt als volgt.
Partijen twisten in deze procedure over de omvang van de legitimaire massa.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis naar aanleiding van hetgeen geïntimeerden hebben aangevoerd, de voorlopige boedelbeschrijving van appellante gecorrigeerd en heeft verklaard voor recht dat de legitimaire massa van de opengevallen nalatenschap van erflater een bedrag behelst van € 57.915,42 als gevolg waarvan geïntimeerden ieder een vordering hebben op de nalatenschap van 1/10e deel, te weten € 5.791,54, en overige geïntimeerde een vordering van 1/20e deel, te weten een bedrag van € 2.895,77.
Appellante heeft in principaal appel drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
Haar stellingen komen erop neer dat zij al het geld dat zij tijdens het leven van erflater heeft ontvangen, heeft besteed aan, dan wel heeft ontvangen voor de intensieve mantelzorg van geïntimeerde in de periode van 2011 tot en met 2015 en dat zij geen onjuiste boedelbeschrijving heeft gedeponeerd.
Geïntimeerden hebben in incidenteel appel zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
Hun stellingen komen erop neer dat de rechtbank niet al hun bezwaren tegen de voorlopige boedelomschrijving van appellante heeft gehonoreerd en dat de legitimaire massa een bedrag van € 194.208,34 bedraagt.
Alvorens tot behandeling van de grieven over te gaan, overweegt het hof als volgt.
Het hof is van oordeel dat appellante niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen een aantal geïntimeerden.
Laatstgenoemden waren immers samen met appellante gedaagden in eerste aanleg.
Hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld tegen degenen die bij de rechtbank als wederpartij met betrekking tot de vordering zijn opgetreden en niet tegen medegedaagden zoals appellante in hoger beroep heeft gedaan.
De uitzondering op deze regel, welke uitzondering voortvloeit uit het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 (HR:2017:411) doet zich hier niet voor, nu gesteld noch gebleken is dat in deze zaak sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (zie ook conclusie A-G van 29 oktober 2021, PHR:2021:1007).
Vast is komen te staan dat erflater in de loop der jaren bedragen heeft overgemaakt aan appellante en haar echtgenoot.
De rechtbank heeft overwogen dat alleen giften van invloed zijn op de legitimaire massa, indien zij zijn gedaan binnen vijf jaren voor het overlijden.
Dat betekent dat alleen de giften in de periode 18 november 2010 tot 18 november 2015 kunnen worden betrokken in deze procedure.
Voorts heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Ter zitting en door de overgelegde stukken is duidelijk geworden dat de door erflater overgemaakte bedragen aan appellante en haar echtgenoot geen betrekking hadden op de kosten van geïntimeerde omdat die uit haar eigen inkomen konden worden voldaan.
De rechtbank heeft wel aangenomen dat appellante en haar echtgenoot bemoeiingen hebben gehad met de zorg voor en over geïntimeerde in Nederland en dat erflater het op zijn plaats vond om hen daarvoor een vergoeding toe te kennen voor diverse onkosten en dergelijke.
Een bedrag van € 100,- per maand acht de rechtbank in dat kader aanvaardbaar.
Een dergelijk bedrag kan worden gezien als een gift aan personen ten aanzien van wie erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven.
Voor het overige moeten de vaste overgemaakte bedragen in het kader van het erfrecht worden gezien als giften in de zin van artikel 4:67, aanhef, onder e BW, zodat deze giften deel uitmaken van de legitimaire massa.
De rechtbank heeft overwogen dat het in de hierboven genoemde periode gaat om een bedrag van in totaal € 37.100,- en heeft de boedelbeschrijving met dit bedrag gecorrigeerd.
Appellante stelt dat zij tezamen met haar echtgenoot in de relevante periode van 2011 tot en met 2015 intensieve mantelzorg heeft verleend aan geïntimeerde.
Voor erflater heeft dit veel betekend aangezien het hem rust gaf dat zijn dochter in goede handen was.
Het maandelijkse bedrag van € 800,- dat erflater heeft overgemaakt dient gezien te worden als een vergoeding voor mantelzorg in de zin van artikel 4:69 BW.
De begeleiding, ondersteuning en verzorging van geïntimeerde was nagenoeg een dagtaak, was althans zeer intensief, zodat voornoemd bedrag niet als bovenmatig kan worden geduid.
Het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 100,- per maand doet geen recht aan de intensief verleende mantelzorg en dient (subsidiair) minimaal gesteld te worden op een bedrag van € 600,- per maand, althans op een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag per maand, aldus appellante.
De overige geïntimeerden voeren gemotiveerd verweer en wijzen erop dat de geïntimeerde een Wajong uitkering had waaruit haar kosten betaald konden worden en dat appellante het door haar gestelde onvoldoende heeft onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof neemt – evenals de rechtbank- aan dat appellante en haar echtgenoot tijdens de periode van bewind de nodige zorg en bemoeiing met geïntimeerde hebben gehad.
Onbetwist staat echter vast dat geïntimeerde in genoemde periode een Wajong uitkering had waaruit de kosten voor geïntimeerde betaald konden worden.
Het had dan ook op de weg van appellante gelegen te stellen en (met objectief verifieerbare) stukken te onderbouwen welke kosten zij voor geïntimeerde heeft gemaakt, die niet konden worden voldaan uit de uitkering van geïntimeerde en die niet werden voldaan door de instelling waar geïntimeerde verbleef, hetgeen zij echter in het geheel heeft nagelaten.
Dat het door erflater betaalde bedrag bedoeld was als vergoeding voor de geleverde mantelzorg op zichzelf, heeft appellante evenmin voldoende onderbouwd.
Het gebruik door appellante van de term mantelzorg in dit verband schept al het vermoeden dat het ging om zorg voor iemand uit haar sociale omgeving waarvoor appellante geen vergoeding zou krijgen.
Zij heeft ook niet gesteld dat zij op grond van een afspraak door erflater betaald zou worden voor inspanningen ten behoeve van geïntimeerde.
Onder die omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat de door erflater in de relevante periode aan appellante en haar echtgenoot overgemaakte bedragen exceptioneel zijn en niet kunnen worden betiteld als vergoeding voor “mantelzorg” in de zin van artikel 4:69, eerste lid, onder a BW, zoals appellante betoogt.
Nu appellante niet heeft gegriefd tegen de berekening door de rechtbank van het in te brengen bedrag dient dit bedrag als gift te worden gezien en deel uit te maken van de legitimaire massa.
Het voorgaande betekent dat de grief faalt.
In de volgende grief stellen geïntimeerden dat de rechtbank ten onrechte de legitimaire massa heeft bepaald op een bedrag van € 57.915,42, in de eerste plaats omdat de rechtbank slechts de giften tot vijf jaar voor het overlijden heeft meegewogen.
Geïntimeerden verwijzen naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden (GHARL:2018:7927), waarin is bepaald dat ook oudere giften meetellen gezien alle zeer vreemde omstandigheden en op grond van de redelijkheid en billijkheid, hetgeen ook in deze zaak zou moeten gebeuren.
Bovendien heeft de rechtbank de schulden conform de voorlopige boedelbeschrijving in mindering gebracht op de legitimaire massa.
Alleen de schulden die vereffend zijn, komen in mindering op de legitimaire massa.
Omdat de schulden niet vereffend zijn en nog in het erfdeel van appellante zitten, komen zij niet in mindering op de legitimaire massa.
Voorts geven zij nog een opsomming van feiten en omstandigheden, die niet als zelfstandige grieven zijn geformuleerd, maar die zouden maken dat het incidentele appel dient te slagen.
Het hof verwijst naar artikel 4:67 onder e BW waarin uitdrukkelijk is bepaald dat bij de berekening van de legitieme porties (andere) giften in aanmerking worden genomen, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor het overlijden is geschied.
Het genoemde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden heeft hierop geen betrekking.
De beslissing van de rechtbank op dit punt zal dan ook worden bekrachtigd.
Hetgeen geïntimeerden beogen met de opmerking van de schulden, ontgaat het hof.
De boedelbeschrijving is een optelsom van bezittingen minus schulden.
Zonder nadere toelichting die ontbreekt, faalt het gestelde met betrekking tot de schulden.
Voor zover geïntimeerden een bewijsaanbod hebben gedaan betreft dit stellingen die het hof heeft gevolgd dan wel die falen omdat die stellingen onvoldoende zijn onderbouwd.
Derhalve wordt niet toegekomen aan bewijslevering.
Het bewijsaanbod wordt dan ook gepasseerd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.