De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een som ineens, als vergoeding voor verrichtte werkzaamheden als mantelzorger, kon worden toegekend.
Eisers en gedaagde zijn de kinderen van de erflater.
Erflater heeft bij testament van 10 november 2017 over zijn nalatenschap beschikt.
Gedaagde is tot erfgenaam benoemd.
Gedaagde stelt dat bij de berekening van de legitieme portie een schuld van € 23.689,58 in aanmerking dient te worden genomen vanwege haar aanspraak op een som ineens ex artikel 4:36 BW.
Gedaagde stelt dat zij door de ziekte van erflater vanaf 2018 het volledige huishouden voor haar rekening heeft genomen alsmede de verzorging van erflater en dat tegenover deze taken geen passende beloning stond.
Gedaagde heeft een berekening van de gederfde inkomsten door de verzorging van erflater overgelegd een beschrijving van haar taken als mantelzorger.
Eisers voeren aan dat gedaagde niet tijdig aanspraak heeft gemaakt op uitkering van een som ineens.
Bovendien had gedaagde daartoe een vordering in reconventie moeten instellen.
Verder betwisten eisers dat gedaagde aanspraak heeft op uitkering van een som ineens.
Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme. Som ineens. Vergoeding voor verrichtte werkzaamheden. Mantelzorg. Gederfde inkomsten? Bijzondere omstandigheden? Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak bestaat niet snel aanleiding voor een vergoeding als door gedaagde gesteld.
Een erfgenaam heeft slechts onder bijzondere omstandigheden een aanspraak op een som ineens.
De som ineens heeft betrekking op werkzaamheden die redelijkerwijze beloond dienen te worden wegens een verlies van de mogelijkheid om een eigen arbeidsinkomen te verwerven en een eigen carrière op te bouwen.
Zonder een dergelijk verlies moet al licht worden aangenomen dat sprake is van vrijwillig op zich genomen werkzaamheden die in het economisch en maatschappelijk verkeer niet plegen te worden beloond (zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2008, GHSHE:2008:BD8647).
Door gedaagde zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat sprake is van werkzaamheden die redelijkerwijze beloond dienen te worden wegens een verlies van de mogelijkheid om een eigen arbeidsinkomen te verwerven.
Op de mondelinge behandeling heeft gedaagde desgevraagd meegedeeld dat er een PGB-budget was aangevraagd maar dat er slechts een vergoeding voor een doucheslang is ontvangen.
Verder heeft gedaagde aangegeven dat er thuiszorg voor erflater was maar dat zij er zelf voor heeft gekozen om hiervan geen gebruik meer te maken (omdat in de Coronaperiode 4 verschillende thuiszorgmedewerkers bij erflater langs kwamen en zij dit te risicovol vond).
Voor zover er sprake was van zorgwerkzaamheden die redelijkerwijze beloond dienen te worden, was er dus thuiszorg mogelijk.
Dat gedaagde er zelf voor heeft gekozen hiervan geen gebruik (meer) te maken en zelf voor erflater te zorgen komt voor haar rekening en risico.
Gedaagde had niet in een financieel ongunstiger positie hoeven te geraken.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gedaagde geen aanspraak kan maken op uitkering van een som ineens.
In het licht hiervan behoeven de overige nog door eisers gevoerde verweren tegen de som ineens geen bespreking meer.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.