De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan in kort geding over de vraag of een legaat bij een tekort van de legitieme verminderd diende te worden.

In 2010 heeft erflater een testament opgemaakt waarin hij zijn moeder en gedaagde, zijn zus, tot erfgenamen heeft benoemd.

Verder heeft hij in het testament onder meer het volgende bepaald:

IN-DE-LEGITIEME-STELLING

Ik legateer ten laste van mijn gezamenlijke erfgenamen aan ieder van mijn kinderen een bedrag in geld gelijk aan de waarde van dat gedeelte van mijn vermogen waarop deze legataris als legitimaris in weerwil van door mij gedane giften en gemaakte uiterste wilsbeschikkingen aanspraak kan maken.

Indien een kind een beroep doet op zijn legitieme vervalt het legaat aan het desbetreffende kind.

Bij brief heeft eiseres aan gedaagde laten weten dat eiseres aanspraak maakt op haar legitieme portie.

Erfrecht. Legitieme. Kort geding. Testament. In de legitieme stelling. Imputatie. Verkrijging en verwerping van een legaat. Vermindering van het legaat bij een tekort van de legitieme?

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde stelt zich enerzijds op het standpunt dat de legitieme portie van eiseres door imputatie als bedoeld in artikel 4:71 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nihil is en eiseres dus geen belang heeft bij de door haar gevorderde inlichtingen en bescheiden.

Anderzijds stelt gedaagde dat de discussie over toerekening van het legaat en imputatie te complex is om in een incident te worden behandeld, zodat de incidentele vorderingen moeten worden afgewezen.

De rechtbank volgt gedaagde niet in dat laatste.

Het enkele feit dat de rechtbank, om een beslissing te kunnen nemen over een incidentele vordering, (eerst) moet oordelen over een complexe of ingewikkelde juridische kwestie is geen reden om de vordering reeds daarom af te wijzen, ook niet als daarmee vooruit wordt gelopen op een beslissing in de hoofdzaak.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de legitieme portie van eiseres door imputatie nihil is, in welk geval zij geen recht heeft op het in dit incident gevorderde voorschot en geen belang bij het verstrekken van inlichtingen en bescheiden.

Artikel 4:71 BW bepaalt dat de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt – waaronder krachtens legaat – in mindering komt op zijn legitieme portie.

Ingevolge artikel 4:73 BW komt de waarde van een legaat van een bepaalde geldsom ook in mindering van de legitieme portie wanneer de legitimaris het legaat verwerpt.

De ratio achter deze bepaling is dat de legitimaris het in dat geval louter aan zichzelf te wijten heeft dat hij minder krijgt dan hij had kunnen ontvangen.

De rechtbank is het met gedaagde eens dat het standpunt van eiseres met betrekking tot het aanvaarden van het legaat dan wel het doen van een beroep op haar legitieme portie voorafgaand aan deze procedure wisselend en niet helder is geweest.

Op meerdere momenten heeft zij gedaagde meegedeeld dat zij het legaat aanvaart, maar zij heeft tegelijk ook meerdere keren een beroep gedaan op haar legitieme.

Uit het feit dat eiseres in de hoofdzaak uitsluitend vaststelling en betaling van haar legitieme portie vordert en niet van het legaat, begrijpt de rechtbank echter dat gedaagde nu uitsluitend een beroep doet op haar legitieme portie.

Door dat beroep op de legitieme portie is het legaat dat erflater eiseres had toegekend op grond van het testament vervallen.

Eiseres verkrijgt in dit geval het legaat dus niet en de waarde daarvan komt daarom ook niet op grond van artikel 4:71 BW in mindering op de legitieme portie.

Dat artikel treedt alleen in werking bij daadwerkelijke verkrijging krachtens erfrecht en niet – zoals gedaagde lijkt te veronderstellen – bij de enkele toekenning van een legaat.

Van verwerping van het legaat als bedoeld in artikel 4:73 BW is ook geen sprake.

In de correspondentie heeft eiseres immers nooit aangegeven dat zij het legaat verwerpt.

Dat het legaat door het beroep op de legitieme portie nu is vervallen, is alleen het gevolg van de keuze van erflater om een dergelijke vervalbepaling in zijn testament op te nemen.

Uit het vorenstaande volgt dat imputatie van het legaat niet aan de orde is.

Dat betekent dat eiseres nog steeds aanspraak heeft op haar legitieme portie.

De omvang daarvan moet in deze procedure worden vastgesteld.

Anders dan gedaagde stelt, kan dan ook niet op voorhand gezegd worden dat eiseres geen belang heeft bij haar incidentele vordering tot het verstrekken van inlichtingen en bescheiden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.