De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een schuld uit een geldlening met erflaatster bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap betrokken diende te worden en vervolgens in mindering diende te worden gebracht op de legitieme.

Erflaatster is de moeder van partijen en van hun broer.

Zij is in 2018 overleden.

Erflaatster heeft bij testament van 30 augustus 2007 haar zoon (gedaagde) benoemd tot haar enige erfgenaam en executeur.

De overige zonen (eiser en broer) heeft zij uitgesloten van erfopvolging.

Eiser stelt dat hij uit hoofde van zijn legitieme portie een vordering op de nalatenschap van erflaatster heeft van 1/6e deel van de legitimaire massa en dat hij daarop tijdig aanspraak heeft gemaakt (art. 4:85 lid 1 BW).

Gedaagde voert aanvullend aan dat erflaatster kennelijk ook een schenking aan eiser heeft gedaan die ook nog niet bij de bovenstaande berekening is betrokken.

Eiser is zonder dat hij een reëel bedrag aan erflaatster moest betalen, economisch eigenaar geworden van het zakelijk gedeelte van het bedrijf, nadat de VOF van eiser en erflaatster was ontbonden.

Gedaagde stelt dat het ervoor moet worden gehouden dat sprake is van een schenking van erflaatster aan eiser die de legitieme portie van eiser overschrijdt en dat reeds daardoor de gevorderde betaling van de legitieme portie moet worden afgewezen (art. 4:70 lid 1 BW).

Gedaagde heeft ter zake het faillissement van restaurant (het bedrijf) het openbaar aanvangsverslag van de curator en de vaststellingsovereenkomst van de curator met erflaatster overgelegd.

Eiser betwist dat erflaatster geld zou hebben geleend van gedaagde.

Zijns inziens is de geldleningsovereenkomst een “opzetje van gedaagde om de nalatenschap van moeder uit te hollen, ten koste van eiser”.

Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme. Schuld uit geldleningsovereenkomst. Terugbetaling. Bewijs. Komt de schuld uit geldlening in mindering op de legitieme?

De rechter oordeelt als volgt.

Omdat de nalatenschap van erflaatster onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) door gedaagde is aanvaard, dient de nalatenschap, gelet op het bepaalde in artikel 4:202 lid 1 BW, overeenkomstig afdeling 3, titel 6, Boek 4 van het BW, te worden vereffend.

Gedaagde is de enige erfgenaam van erflaatster.

Op grond van artikel 4:195 lid 1 BW is hij vereffenaar van de nalatenschap.

Partijen wensen dat de rechtbank de legitieme portie van eiser in de nalatenschap van erflaatster vaststelt.

Gedaagde heeft de rechtbank bovendien verzocht een redelijke termijn vast te stellen, waarbinnen hij die legitieme portie aan eiser moet betalen.

Ingevolge artikel 4:65 BW worden de legitieme porties berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en wordt verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

De geldleningsovereenkomst is voldoende komen vast te staan.

Eiser heeft de overeenkomst overgelegd en de inhoud en strekking van die overeenkomst is duidelijk.

Gedaagde heeft gemotiveerd en onweersproken aangevoerd dat erflaatster die overeenkomst met hem ten overstaan van een notaris heeft gesloten.

Eiser op zijn beurt heeft geen relevante feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aan de echtheid en strekking van die geldleningsovereenkomst zou moeten worden getwijfeld.

Gelet op het bepaalde in artikel 1 van de geldleningsovereenkomst moet het er voor worden gehouden dat gedaagde met ingang van oktober 2010 maandelijks € 300,00 aan erflaatster uitleende ter voorziening in haar levensonderhoud.

Over de wijze waarop uitvoering zou worden gegeven aan die betalingen (contant of via banktransacties) is in de geldovereenkomst niets geregeld.

In het licht van het bovenstaande en na mondelinge toelichting van gedaagde tijdens de zitting, komt het de rechtbank voldoende aannemelijk voor dat gedaagde de maandelijks betalingen van € 300,00 deels via contante betalingen (zie kasboek) en deels per bank (zie overgelegde bankafschriften) aan erflaatster voldeed.

Gedaagde heeft toegelicht dat erflaatster op een gegeven moment naar een bejaardentehuis is vertrokken en dat hij er – op die maner – voor zorgde dat zij telkens contant geld in haar beurs had.

Door eiser is vervolgens onvoldoende weersproken dat gedaagde en erflaatster aan artikel 1 van de geldleningsovereenkomst sinds oktober 2010 geen uitvoering hebben gegeven, zoals gedaagde ter zitting heeft verklaard.

Er zijn ook geen aanknopingspunten in deze zaak op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat erflaatster de betreffende € 300,00 niet maandelijks zou hebben ontvangen, terwijl zij daarop wel aanspraak kon maken.

Gedaagde heeft, met inachtneming van het voren overwogene, dan ook voldoende onderbouwd dat erflaatster een schuld aan hem had van in totaal € 40.235,51, inclusief rente als bepaald in artikel 2.1 van de geldleningsovereenkomst.

Deze schuld van erflaatster dient bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap te worden betrokken en daarop in mindering te worden gebracht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.