Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 april 2022 uitspraak gedaan over de waardering van onroerend goed en kunst ter vaststelling en berekening van de legitieme.
In de onderhavige procedure vordert appellant, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de legitimaire massa vast te stellen in de nalatenschap van erflater;
- zijn legitieme portie vast te stellen in de nalatenschap van erflater;
- geïntimeerde te veroordelen de legitieme portie aan appellant te betalen zodra deze opeisbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;
Appellant heeft tevens een incident opgeworpen, kort gezegd, inhoudende afgifte van al die stukken en informatie die nodig is om de legitimaire massa vast te kunnen stellen in de nalatenschap van erflater en het benoemen van een deskundige om de kunstwerken te taxeren.
Aan deze vorderingen heeft appellant, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op zijn legitieme portie en dat geïntimeerde geen (volledige) informatie verstrekt op grond waarvan de omvang van de legitieme portie kan worden vastgesteld.
Tot de nalatenschap behoort een kunstcollectie, een woning te A (hierna: ‘echtelijke woning’) en een onroerende zaak in Saint-Tropez, maar gespecificeerde opgaven met taxatiewaarden daarvan ontbreken.
Hierdoor kan appellant geen concrete berekening maken van zijn legitieme portie.
Appellant stelt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het taxatierapport van persoon B met betrekking tot de kunstcollectie als waarheid kan worden aangenomen en dat dus die waardebepaling juist is.
Hij voert hiertoe aan dat met dit rapport fundamentele procesbeginselen zijn geschonden.
Zo is de communicatie eenzijdig met geïntimeerde verlopen en is er geen conceptrapport verstrekt waardoor hij geen vragen kon stellen of opmerkingen kon maken.
Het verstrekken van een conceptrapport is een wezenlijk onderdeel van een deskundigenbericht.
De advocaat van appellant is enkel bij de taxatie aanwezig geweest, maar welke werken er zijn onttrekt zich aan het gezichtsveld van appellant en zijn advocaat.
Zij weten ook niet welke aantekeningen de deskundige heeft gemaakt.
Daar komt bij dat de deskundige niet de waarde in het economisch verkeer heeft bepaald maar de executiewaarde.
Geïntimeerde verwijst naar wat partijen over de taxatie hebben afgesproken en stelt onder meer dat partijen niet hebben afgesproken dat zij een conceptrapport zouden krijgen waarop gereageerd zou kunnen worden.
Erfrecht. Legitieme. Recht op informatie. Vaststelling van de legitimaire massa. Waardering van onroerend goed. Waarde van kunst. Procesbeginselen. Stelplicht. Bewijs. Taxatierapport. WOZ.
De rechter overweegt als volgt.
Appellant stelt dat in de totstandkomingsfase van het opstellen van het taxatierapport fundamentele procesbeginselen zijn geschonden, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, fair trail en equality of arms.
Het gevolg hiervan is volgens appellant dat de rechtbank het rapport niet als waarheid had mogen aannemen en ten onrechte heeft geoordeeld dat (dus) de waardebepaling juist is.
Het hof stelt vast dat appellant geen beroep heeft gedaan op vernietiging van het taxatierapport (bijvoorbeeld op grond van art. 7:904 lid 1 BW).
Het hof begrijpt de stelling van appellant zo dat het taxatierapport volgens hem zodanig gebrekkig tot stand is gekomen dat geïntimeerde hem daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan kan houden.
Op grond van artikel 150 Rv is het aan appellant om het voorgaande te stellen en zo nodig te bewijzen.
Vaststaat dat de onder bewind gestelde en geïntimeerde met hun advocaten ter zitting bij de rechtbank afspraken over de taxatie van de kunstwerken hebben gemaakt (hierna: de vaststellingsovereenkomst).
Mede op voorstel van de onder bewind gestelde is persoon B, een erkend en geregistreerd taxateur, als taxateur aangewezen.
De opdracht aan persoon B hield in dat hij de kunst in de opslag en in de woning van geïntimeerde moest taxeren tegen de waarde in het economisch verkeer per datum van overlijden van erflater, te weten 2015.
De onder bewind gestelde en geïntimeerde hebben afgesproken dat geïntimeerde de opdrachtgever zou zijn en dat zij deze taxatie zowel wat betreft de waarde als de omvang als bindend zouden beschouwen.
Verder staat vast dat alleen geïntimeerde de opdracht voor de taxatie aan persoon B heeft gegeven alsook dat zij de kosten daarvan voor haar rekening zou nemen.
Persoon B heeft in zijn taxatierapport ook geschreven dat geïntimeerde de opdrachtgever was en dat hij de taxatie uitsluitend voor haar heeft gedaan.
Anders dan appellant lijkt te suggereren , is geen sprake van een deskundigenbericht als bedoeld in art. 194 Rv.
Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen niet hebben afgesproken dat persoon B eerst tot een taxatierapport zou komen waarop de onder bewind gestelde nog commentaar kon geven voordat hij tot een definitieve waardebepaling zou komen.
Omdat partijen hebben afgesproken dat enkel geïntimeerde opdrachtgever is, kon en mocht appellant in de gegeven omstandigheden dan ook niet verlangen dat persoon B hem eerst een concept taxatierapport zou toesturen, voordat persoon B een waarde van in totaal € 36.720,00 aan de werken zou toekennen.
Verder stelt appellant dat deze door persoon B vastgestelde waarde niet de waarde in het economisch verkeer is, maar de executiewaarde.
Partijen hebben afgesproken om als waarde voor de kunstwerken de waarde in het economisch verkeer als uitgangspunt te nemen.
Uit het taxatierapport blijkt dat persoon B de kunstwerken heeft gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer als bedoeld in artikel 21 van de Successiewet.
Persoon B schrijft in het rapport immers aan de Voorwerpen een waarde – op datum overlijden 2015 – in het economisch verkeer als bedoeld in art 21 van de Successiewet toe te kennen.
Het begrip waarde in het economische verkeer in de Successiewet is niet gedefinieerd, maar dit begrip kan op basis van vaste jurisprudentie worden omschreven als de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor het goed meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.
Dat deze waarde in het onderhavige geval anders zou zijn dan persoon B heeft vastgesteld, heeft appellant niet, althans onvoldoende onderbouwd.
De enkele stelling dat de werken honderden en zelfs vele duizenden euro’s waard zijn, thans een waardering wordt gegeven op tientjes-niveau en dat op rommelmarkten hogere prijzen worden gerealiseerd voor onbekende kunstenaars, leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot een ander oordeel.
Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat appellant onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat – nu de taxatiewaarde hem is tegengevallen – de inhoud of wijze van totstandkoming van het taxatierapport zodanig indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het onaanvaardbaar zou zijn om daaraan gehouden te worden.
Dit heeft tot gevolg dat het hof voor wat betreft de waarde van de kunstwerken uitgaat van het getaxeerde bedrag van € 36.720,-.
Appellant heeft een bewijsaanbod gedaan dat kunstwerken na het overlijden van erflater zijn verkocht waardoor die geen deel uitmaken van de inventarislijst, maar het hof gaat hieraan voorbij omdat partijen over de omvang van de kunstwerken, zijnde alle werken vermeld in het door geïntimeerde opgemaakte Excelbestand, ook bindende afspraken hebben gemaakt.
Zelfs als dit anders zou zijn, dan nog geldt het volgende.
Volgens de volgende grief heeft de rechtbank de hoogte van de legitimaire massa niet goed vastgesteld omdat de rechtbank is uitgegaan van de verkeerde waarde met betrekking tot de echtelijke woning.
Appellant stelt dat de echtelijke woning een waarde heeft van € 356.000,-, zoals zelf door geïntimeerde opgegeven voor de erfbelasting, of mogelijk meer.
Het door de makelaar opgestelde taxatierapport was voor geïntimeerde geen reden om in de aangifte voor de erfbelasting uit te gaan van de in dat rapport genoemde lagere waarde van € 225.000,-.
De rechtbank is voor wat betreft de waarde van de echtelijke woning dan ook ten onrechte uitgegaan van het bedrag van € 225.000,-.
Hierdoor is de nalatenschap voor (ten minste) € 131.000,- te laag vastgesteld en daardoor zijn ook de legitimaire massa en aanspraak te laag vastgesteld.
Ter zitting heeft geïntimeerde toegelicht dat zij voor de aangifte erfbelasting was uitgegaan van de WOZ-waarde van € 356.000,- die de gemeente in het jaar voor het overlijden van erflater had vastgesteld.
Geïntimeerde had na het overlijden van erflater wel een taxatierapport op laten stellen omdat dat van haar werd verwacht.
In dat taxatierapport is de marktwaarde op peildatum 2 april 2015 op € 225.000,- vastgesteld.
Ter zitting heeft geïntimeerde verklaard dat zij ondanks deze lagere marktwaarde toch de hogere WOZ-waarde in de aangifte erfbelasting heeft opgegeven om ‘geen gedoe’ te krijgen.
Het hof is van oordeel dat het taxatierapport van geïntimeerde niet doorslaggevend is voor de waardering van de echtelijke woning.
In het taxatierapport is als object genoemd een ‘vrijstaande woning’.
Appellant heeft ter zitting gesteld dat er nog een groot stuk grond achter de woning ligt dat niet in de taxatie is meegenomen.
Het hof kan dit niet uit het taxatierapport afleiden.
Daar komt bij dat geïntimeerde ter zitting heeft aangegeven dat de gemeente al jarenlang de WOZ-waarde van de woning op € 356.000,- heeft vastgesteld en dat het taxatierapport met een lagere marktwaarde voor haar geen aanleiding is geweest om bezwaar te maken tegen de hogere WOZ-waarde.
Op grond van artikel 150 Rv is het aan appellant om de door hem gestelde waarde van de woning te bewijzen.
Nu appellant de waarde van € 225.000,- gemotiveerd heeft betwist, zal het hof hem conform zijn bewijsaanbod in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat de waarde van de echtelijke woning op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater meer dan € 225.000,- bedroeg.
Appellant stelt vervolgens dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er geen woning of ander onroerend goed en/of roerende zaken zijn in het buitenland, meer in het bijzonder in Saint-Tropez.
Geïntimeerde ontkent dat in de nalatenschap onroerend goed in Saint-Tropez zit.
Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij en erflater 23 jaar lang een woning in Saint-Tropez van bekenden huurden, maar dat zij al circa acht jaar voor het overlijden van erflater deze woning niet meer van die bekenden huurden in verband met het overlijden van de eigenaar.
Drie jaar voor het overlijden van erflater hebben zij vanwege de crisis geen woning meer gehuurd in Saint-Tropez.
Het hof is van oordeel dat appellant, gezien de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat onroerend goed in Saint-Tropez in de nalatenschap van erflater zit dan wel ander onroerend goed en/of roerende zaken in het buitenland.
Appellant heeft weliswaar een bewijsaanbod gedaan, maar bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing is bewijslevering niet aan de orde.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.