De Rechtbank Noord-Holland heeft op 13 april 2022 uitspraak gedaan over de in aanmerking te nemen giften bij de berekening van de legitieme.

Partijen zijn de enig erfgenamen van mevrouw A (hierna: erflaatster).

Erflaatster is gehuwd geweest. Haar echtgenoot is overleden op 20 november 1982.

Zij hadden twee zoons: betrokkene en gedaagde.

Betrokkene was gehuwd met mevrouw B. Hij is op 4 augustus 2004 overleden.

Eiseres is de dochter van betrokkene en dus een kleindochter van erflaatster.

Eiseres doet een aanvullend een beroep op haar legitieme.

Tussen partijen is niet in geschil dat de legitimaire aanspraak van eiseres een kwart van de legitimaire massa bedraagt.

Partijen twisten echter over de omvang van de legitimaire massa, in het bijzonder over de omvang van de bij de legitimaire massa op te tellen giften.

Erfrecht. Legitieme. Aanvullend beroep op legitieme. Vaststelling van de legitimaire massa. Schenking. In aanmerking te nemen giften. Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Saldo bankrekening datum overlijden

Partijen zijn het er (inmiddels) over eens dat de saldi op de bankrekeningen € 6.014,59 en € 50.744,01 bedroegen ten tijde van het overlijden van erflaatster, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Waarde van de woning

De woning van erflaatster is verkocht voor een koopprijs van € 390.000,-.

Eiseres stelt dat de rechtbank van die waarde moet uitgaan.

Volgens gedaagde moet echter worden uitgegaan van een waarde van € 386.281,54, zijnde het bedrag dat de notaris aan de nalatenschap heeft uitgekeerd op basis van de eindafrekening.

Terecht heeft gedaagde erop gewezen dat de door de notaris in de eindafrekening op de koopprijs in mindering gebrachte notaris- en makelaarskosten aan te merken zijn als (informele) vereffeningskosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub c BW, zodat deze in mindering strekken op de legitimaire massa.

De makelaars- en notariskosten zijn immers noodzakelijke kosten voor het te gelde maken van een goed van de nalatenschap (vgl. bijlage G bij de Richtlijnen Vereffening Nalatenschappen).

Daarom zal worden uitgegaan van € 386.281,54 als waarde van de woning.

Giften aan gedaagde

Gedaagde heeft erkend dat hij € 61.264,- aan giften heeft ontvangen van erflaatster.

Die giften staan daarmee vast.

Eiseres voert aan dat uit de bankrekeningafschriften van erflaatster blijkt dat gedaagde daarnaast € 11.788,25 aan giften heeft ontvangen.

Gedaagde heeft betoogd en onderbouwd dat hij een bedrag van € 10.000 naar de bankrekening van erflaatster heeft teruggeboekt.

Eiseres heeft haar vraagtekens geplaatst bij het heen- en terugboeken van dit bedrag, maar heeft in haar laatste berekeningen dit bedrag verder buiten beschouwing gelaten, gezien het door gedaagde gevoerde verweer.

Dit deel zal de rechtbank daarom niet aanmerken als gift aan gedaagde.

Ten aanzien van het resterende bedrag van € 1.788,25 heeft gedaagde onvoldoende weersproken dat sprake is van een gift.

Dit bedrag wordt daarom wel aangemerkt als gift aan gedaagde.

Vast staat dat erflaatster het aankoopbedrag van de auto van gedaagde heeft betaald.

Eiseres heeft primair aangevoerd dat de auto daarom tot de nalatenschap behoort en subsidiair dat sprake is van een schenking aan gedaagde.

Gedaagde stelt dat geen sprake is van een schenking, omdat hij de auto, die een hoge instap heeft, gebruikte ten behoeve van erflaatster, onder meer om haar te vervoeren en haar te bezoeken toen zij in het ziekenhuis verbleef.

De rechtbank is van oordeel dat de auto niet tot de nalatenschap behoort, omdat het (kennelijk) de bedoeling van erflaatster was dat de auto eigendom zou worden van gedaagde.

Het enkele feit dat erflaatster de aankoopsom heeft betaald, maakt in dat geval niet dat de auto desondanks eigendom is geworden van erflaatster.

Wel volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat de auto moet worden aangemerkt als gift aan gedaagde.

Gedaagde heeft dat in eerste instantie ook erkend in zijn boedelbeschrijving, maar is daar later op teruggekomen.

De enkele omstandigheid dat de auto mede gebruikt werd ten behoeve van erflaatster, betekent nog niet dat er geen bevoordelingsbedoeling was bij erflaatster.

De auto vertegenwoordigde een aanzienlijke waarde, te weten € 20.000,-.

Daarbij komt dat erflaatster ook de kosten van onderhoud, brandstof en parkeerkosten voor haar rekening heeft genomen (dus bovenop het aankoopbedrag van de auto van gedaagde).

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de prestaties die gedaagde heeft geleverd (het helpen/vervoeren van erflaatster en het bezoeken van erflaatster) niet als tegenprestatie voor het aankoopbedrag van de auto kunnen gelden.

De rechtbank zal daarom uitgaan van een schenking aan gedaagde van € 20.000,-.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat erflaatster de hypothecaire geldlening van gedaagde heeft afgelost.

Eiseres heeft daarbij gewezen op een schriftelijke verklaring van haarzelf en haar moeder, waaruit volgens eiseres volgt dat “op 26 mei 2018 erflaatster in aanwezigheid van mevrouw D verklaard ‘dat zij opgelucht was geen zorgen meer te hebben over de financiële verplichting van haar zoon t.o.v. zijn woning’”.

Ook heeft eiseres gesteld dat erflaatster heeft gezegd dat zij “opgelucht was omdat de gehele hypotheeklening van gedaagde was afgelost”.

In de verklaring van eiseres staat verder dat “zij, (erflaatster) haar zoon (gedaagde) heeft geholpen bij het aflossen van de hypotheek op zijn woning”. 

Hieraan verbindt eiseres de gevolgtrekking dat sprake is van een schenking aan gedaagde ter hoogte van de hypothecaire inschrijving op de woning ter hoogte van € 170.000,- (dan wel € 100.000,-).

De rechtbank overweegt dat de stelplicht ten aanzien van het bestaan van een schenking (en de omvang daarvan) rust op eiseres en dat zij aan die stelplicht niet heeft voldaan.

Dat erflaatster heeft gezegd dat zij opgelucht was dat zij geen zorgen meer had over de financiële verplichtingen van gedaagde en dat zij gedaagde heeft geholpen, is daarvoor onvoldoende.

Dat zegt immers niets over de vraag waarom erflaatster daarover geen zorgen meer had en dit is onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat erflaatster dus aan gedaagde een schenking heeft gedaan van € 170.000,- (of € 100.000,-).

Ook zijn deze summiere stellingen van [eiseres] onvoldoende aanleiding om de bewijslast om te keren.

Het is niet aan gedaagde om te bewijzen dat geen sprake is van een schenking, enkel en alleen omdat eiseres (en haar moeder) achteraf die suggestie opwerpen, zonder dat dit verder ergens uit blijkt.

De door eiseres veronderstelde schenking blijkt kennelijk in ieder geval niet uit de aan haar ter beschikking staande bankrekeningafschriften van erflaatster.

Omdat eiseres niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering verder niet toegekomen.

Zoals hiervoor is overwogen heeft erflaatster aan gedaagde voorts giften gedaan met een waarde van € 90,95 en € 69,95 (de aankopen in een herenkledingwinkel).

De rechtbank beschouwt deze giften als gebruikelijk en niet bovenmatig (in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub b BW), zodat zij buiten beschouwing blijven.

Giften aan eiseres en betrokkene.

Tussen partijen staat vast dat erflaatster haar auto heeft geschonken aan eiseres.

Het gaat om een Ford Ka, met bouwjaar 2007. Partijen verschillen van mening over de vraag welke waarde aan de Ford Ka moet worden toegekend.

De waarde ten tijde van de schenking is bepalend (de hoofdregel van artikel 4:66 lid 1 BW).

Gedaagde heeft gesteld dat de schenking plaatsvond in 2014, hetgeen eiseres niet heeft weersproken, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Over de waarde van de Ford Ka heeft eiseres enkel een e-mail overgelegd waaruit (volgens eiseres) volgt dat de waarde op 30 september 2020 € 1.000,- bedroeg.

Daarvan kan de rechtbank niet uitgaan, omdat de waarde in 2014 bepalend is.

Gedaagde heeft op zijn beurt slechts gesteld dat de Ford Ka een waarde had van € 5.100,-, maar heeft daarvan geen onderbouwing overgelegd.

De rechtbank overweegt dat uit openbaar raadpleegbare bronnen kan worden afgeleid dat een Ford Ka in 2007 een nieuwwaarde had van € 8.895,- en dat de restwaarde na zeven jaar normaal gebruik (dus in 2014) € 2.200,- bedroeg.

Die waarde zal de rechtbank daarom gebruiken bij de berekening van de legitieme portie van eiseres.

Gedaagde heeft aangevoerd dat betrokkene (de vader van eiseres) een schenking heeft ontvangen ter gelegenheid van zijn vijfendertigste verjaardag ter hoogte van (omgerekend) € 15.882,-.

Eiseres heeft dat alsnog betwist.

Daarnaast vindt eiseres het onredelijk als alleen de verjaardaggiften aan betrokkene worden meegeteld, terwijl kennelijk de verjaardaggiften aan gedaagde buiten beschouwing blijven.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet.

Gedaagde heeft immers erkend dat hij aanzienlijke giften heeft ontvangen van erflaatster (van € 61.264), die volledig worden meegenomen bij de vaststelling van de legitimaire massa.

Dat geldt daarom ook voor de schenking aan betrokkene ter hoogte van € 15.882, die door eiseres onvoldoende gemotiveerd is betwist.

De door gedaagde in de akte van 16 februari 2022 nieuw ingenomen stellingen over aanvullende schenkingen aan betrokkene worden als tardief gepasseerd, nu eiseres op die gestelde aanvullende schenkingen niet meer heeft kunnen reageren.

Gedaagde heeft verder aangevoerd dat eiseres giften heeft ontvangen bestaande uit een gouden choker ter gelegenheid van haar huwelijk (€ 5.000,-) en overige giften (€ 2.000,-).

Eiseres] heeft deze giften niet weersproken, maar aangevoerd dat de choker minder waard was dan gedaagde stelt en dat de giften gebruikelijk en niet bovenmatig waren (artikel 4:69 lid 1 sub b BW).

Omdat eiseres erkent een gouden choker als gift te hebben ontvangen, is de rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres had gelegen om inzichtelijk te maken wat de choker dan wel waard was.

Nu ze dat niet heeft gedaan, zal de rechtbank uitgaan van het door gedaagde genoemde waarde (€ 5.000).

Zonder nadere toelichting van eiseres, die ontbreekt, kan de rechtbank een dergelijke gift niet als een gebruikelijke gift (in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub b BW) aanmerken.

Het voorgaande geldt ook voor de overige giften ten bedrage van € 2.000,-.

Deze bedragen worden daarom meegenomen in de berekening van legitieme van eiseres.

Notariële schenkingen, erfbelasting, waarde inboedelgoederen en advocaatkosten

Erflaatster heeft (naast de voormelde giften) een aantal notariële schenkingen gedaan die zij schuldig is gebleven, maar die na haar overlijden zijn uitgekeerd aan gedaagde, eiseres en betrokkene.

Anders dan partijen veronderstellen, zal de rechtbank deze notariële schenkingen niet van de legitimaire massa aftrekken, nu zij moeten worden aangemerkt als quasi-legaten en daarom de legitimaire massa niet drukken (artikel 4:65 BW).

Wel zal de rechtbank de notariële schenkingen aan eiseres aftrekken van de legitimaire portie van eiseres, gelet op artikel 4:70 en 4:71 BW.

De rechtbank zal uitgaan van het bedrag dat gedaagde noemt (€ 11.764,62), omdat daarin de rente is berekend tot en met de datum van uitkering.

Gedaagde stelt dat ook van de aanvullende legitieme van eiseres de erfbelasting (van € 3.627) moet worden afgetrokken.

Aangezien dit bedrag al voor rekening van eiseres is gekomen in het kader van de berekening van het erfdeel, zal de rechtbank dit niet nogmaals in mindering brengen op de aanvullende legitieme portie van eiseres.

Wel zal van de legitieme van eiseres worden afgetrokken een bedrag van € 680,- zijnde de waarde van de inboedelgoederen die eiseres uit de nalatenschap heeft verkregen (artikel 4:71 BW).

Volgens gedaagde moeten ook bij het berekenen van de legitimaire massa de advocaatkosten van gedaagde (ter hoogte van € 25.907 aan reeds gedeclareerde kosten en € 7.474,54 aan begrote kosten) in mindering worden gebracht.

Hierin geeft de rechtbank gedaagde geen gelijk.

Verwezen wordt naar hetgeen hierover is overwogen (kort samengevat inhoudende dat de kosten zijn gemaakt door gedaagde om zijn belangen als mede-erfgenaam te beschermen).

De rechtbank volgt gedaagde daarom ook niet in zijn betoog dat de kosten tot de (informele) vereffeningskosten moeten worden gerekend.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.