De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de verplichting van de executeur tot het verstrekken van informatie ter vaststelling van de legitieme.

De eisende partij] en gedaagde zijn broers van elkaar.

Zij zijn de kinderen van mevrouw A (hierna: erflaatster).

Bij brief van 22 augustus 2022 heeft de eisende partij een beroep op zijn legitieme portie gedaan en heeft hij verzocht om alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening daarvan.

De rechter oordeelt als volgt.

De informatieplicht uit hoofde van artikel 4:78 BW

Der eisende partij baseert zijn vordering tot afgifte van stukken op artikel 4:78 BW.

Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan een legitimaris die geen erfgenaam is jegens de erfgenamen en de met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft en verstrekken zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.

Die legitieme portie wordt ingevolge artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met in aanmerking te nemen giften en verminderd met schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

Ingevolge artikel 4:6 BW wordt de waarde van de goederen van de nalatenschap berekend op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

De rechtbank zal met inachtneming van het vorenstaande de verzochte stukken afzonderlijk bespreken.

Alle relevante informatie

Voor zover de vordering onder 1. ziet op het verstrekken van alle relevante informatie die nodig is voor het vaststellen van de legitieme portie van eisende partij, zal dit gedeelte van de vordering als onvoldoende bepaald worden afgewezen.

De jaarstukken van de onderneming over de jaren 2017-2021

Erflaatster heeft ter zake de erfenis van haar zus een aanslag van de belastingdienst opgelegd gekregen, welk bedrag door gedaagde partij is voldaan vanuit zijn onderneming.

Eisende partij stelt dat hij belang heeft bij inzage in de jaarstukken van de onderneming over de jaren 2017-2021, omdat hij hiermee kan controleren of de erfbelasting al dan niet in mindering mag worden gebracht op de legitimaire massa.

Vooropgesteld wordt dat eisende partij stukken vraagt die door gedaagde partij uit anderen hoofde dan in zijn hoedanigheid van erfgenaam of executeur zouden moeten worden verstrekt (te weten als eigenaar van het bedrijf), waarvoor in deze procedure geen grondslag bestaat.

Volgens gedaagde partij had erflaatster het bedrag ten behoeve van de erfbelasting niet liquide en heeft hij het bedrag voor erflaatster voorgeschoten met geld uit zijn eigen onderneming, waarbij het door hem geleende bedrag in rekening-courant werd geboekt.

Hierdoor ontstond een schuld van erflaatster aan gedaagde partij en een schuld van gedaagde partij aan het het bedrijf.

De eisende partij heeft dit niet gemotiveerd betwist.

Daar komt bij dat eisende partij heeft erkend dat – ter gelegenheid van de verkoop van de woning van erflaatster – een bedrag van € 53.000,00 (nagenoeg hetzelfde bedrag als het voorgeschoten bedrag ter zake de erfbelasting) aan gedaagde partij is betaald.

Wat hier ook van zij, voor de nalatenschap en de berekening van de legitieme portie is van belang dat de schuld is ingelost.

De rechtbank zal de vordering van [eisende partij] onder 1 a. afwijzen.

De bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen van erflaatster

De eisende partij stelt dat hij recht en belang heeft bij de bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen van erflaatster, omdat hij door middel van deze afschriften kan achterhalen of er meer dan de al bij hem bekende giften zijn verstrekt aan gedaagde partij.

De gedaagde partij voert onder meer aan dat er één bankrekening bestond ten tijde van het overlijden van moeder, ten aanzien waarvan hij de verzochte bankafschriften al heeft verstrekt.

Vooropgesteld wordt dat eisende partij belang heeft bij de verzochte bankafschriften, nu door het kunnen controleren van de financiële administratie van erflaatster, waaronder het vermogensverloop in de bankafschriften over de periode voor haar overlijden, het voor hem mogelijk is om vast te stellen of erflaatster schenkingen heeft gedaan die bij de berekening van zijn legitieme portie dienen te worden meegenomen.

De eisende partij heeft daarom ook belang bij de bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen die ten tijde van het overlijden van erflaatster reeds waren opgeheven, maar in de daaraan voorafgaande jaren nog bestonden, omdat daaruit immers eveneens kan blijken van schenkingen.

Voor zover gedaagde partij heeft aangevoerd dat er ten aanzien van deze opgeheven rekeningen geen belang bestaat omdat het geld kost om de afschriften op te vragen, terwijl er vrijwel niets aan saldo op de rekeningen stond, gaat de rechtbank hieraan – gelet op het voorgaande – voorbij.

Eisende partij heeft bij verzoekschrift de bankafschriften over de periode 2017-2021 verzocht, maar bij eiswijziging vordert hij de bankafschriften over de periode mei 2014 tot mei 2021 (althans tot het moment van opheffing van de betreffende rekening).

Voor zover gedaagde partij heeft aangevoerd dat hij niet aan deze eiswijziging kan voldoen, omdat steeds afschriften vanaf 2017 zijn gevraagd en hij geen rekening heeft gehouden met nieuwe eisen die verder teruggaan in de tijd, geldt het volgende.

Gedaagde partij kan, voor zover hij niet over de bankafschriften beschikt, als erfgenaam en executeur van erflaatster bankafschriften bij de banken opvragen tot zeven jaar geleden (gelet op de wettelijke bewaartermijn van banken).

De kosten die met het voldoen aan deze informatieplicht gepaard gaan, komen, voor zover in redelijkheid gemaakt, ten laste van de nalatenschap van erflaatster.

De verwijzing van eisende partij naar het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 september 2019, GHSHE:2019:3344, waarin de beschikking is bekrachtigd waarbij de erfgenaam/executeur is veroordeeld tot afgifte van de bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekening, maakt niet dat gedaagde partij in de onderhavige zaak wordt veroordeeld tot het verstrekken van de bankafschriften van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster.

Het hof heeft in die zaak immers geoordeeld dat de bank – gelet op de wettelijke bewaarplichten – nog moet beschikken over de verzochte bankafschriften, terwijl dat in de onderhavige zaak niet het geval is.

Eisende partij stelt dat bij bestudering van de in deze procedure overgelegde bankafschriften is gebleken dat er ook na overlijden van erflaatster nog betalingen op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op 660 zijn binnengekomen, welke relevant zijn voor het vaststellen van de legitieme portie.

Daarnaast stelt eisende partij dat na het overlijden van erflaatster door gedaagde partij betalingen aan zichzelf zijn gedaan vanaf deze bankrekening.

Nu de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap en met waarde wordt bedoeld de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden (artikel 4:65 BW juncto 4:6 BW), is voor de berekening van de legitieme portie niet relevant wat er na de datum van het overlijden met het saldo op de bank- en spaarrekeningen is gebeurd.

Gedaagde partij zal daarom niet worden veroordeeld de bankafschriften van na het overlijden van erflaatster aan eisende partij te verstrekken.

Gedaagde partij heeft al verscheidene bankafschriften aan eisende partij verstrekt, zodat hij alleen wordt veroordeeld de ontbrekende bankafschriften te verstrekken.

De rechtbank sluit voor de termijn van het verstrekken van de stukken aan bij de genoemde termijn van vier weken na dagtekening van het vonnis.

De slotsom is dat de vordering onder 1 b. wordt toegewezen, met dien verstande dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot het in afschrift verstrekken aan eisende partij van de bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen van erflaatster, van zeven jaar geleden tot 16 mei 2019, althans tot het moment dat de betreffende bank- of spaarrekening is opgeheven, uitsluitend voor zover hij deze bankafschriften nog niet aan eisende partij heeft verstrekt.

Voor zover eisende partij heeft gesteld of heeft bedoeld te stellen dat gedaagde partij rekening en verantwoording dient af te leggen overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 4:78 BW geen verplichting op de erfgenamen en/of de executeur rust tot het doen van rekening en verantwoording.

Hetgeen eisende partij en gedaagde partij ten aanzien van de inhoud van de bankafschriften naar voren hebben gebracht, blijft buiten beschouwing, omdat het voor de beslissing van de rechtbank op dit punt niet relevant is.

De bankafschriften van alle bankrekeningen van de zus van erflaatster

Eisende partij stelt dat hij belang heeft bij de bankafschriften vanaf een jaar voor tot een jaar na het overlijden van de zus van erflaatster.

Gedaagde partij dient inzichtelijk te maken hoe de nalatenschap van de zus van erflaatster was opgebouwd, aangezien de erfenis uit een appartement met een kleine hypotheek bestond waarvan de waarde ten tijde van het overlijden van erflaatster € 156.240,00 bedroeg, terwijl de erfenis volgens de aangifte erfbelasting in 2013 € 160.265,00 bedroeg.

Gedaagde partij betwist dat hij deze bankafschriften aan eisende partij dient te verstrekken.

Eisende partij baseert zijn vordering tot afgifte van stukken op artikel 4:78 BW, op grond waarvan een legitimaris jegens de erfgenamen en de met het beheer belaste executeurs aanspraak kan maken op de bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft.

Niet is gebleken dat eisende partij de afschriften van de bankrekeningen van de zus van erflaatster nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster. Hij kan dan ook op deze bankafschriften geen aanspraak maken.

Bovendien blijkt de financiële afhandeling van de nalatenschap van de zus van erflaatster uit de bankafschriften van erflaatster.

Verder heeft gedaagde partij aangevoerd dat hij niet beschikt over de verzochte bankafschriften, en gaat de rechtbank ervan uit – gelet op de bewaartermijn van banken – dat deze bankafschriften ook niet meer op te vragen zijn.

Voor zover eisende partij stelt dat gedaagde partij over de verzochte stukken beschikt omdat hij bewindvoerder van de zus van erflaatster is geweest, geldt dat – los van de vraag of deze stelling juist is – geen stukken kunnen worden opgevraagd die door gedaagde partij uit anderen hoofde dan in zijn hoedanigheid van erfgenaam of executeur zouden moeten worden verstrekt, nu daarvoor in deze procedure geen grondslag bestaat.

De vordering onder 1 c. zal dan ook worden afgewezen.

De definitieve aanslag IB 2019 en het taxatierapport

Ten aanzien van de vorderingen van eisende partij onder 1.d. en 1.e., geldt dat gedaagde partij een definitieve aanslag IB 2019 heeft overgelegd en een taxatierapport met bijlagen van het appartement (met waarde-peildatum mei 2019).

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisende partij bij deze vorderingen geen belang meer heeft, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.