Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juli 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de kosten voor verleende zorg aan de erflater in aanmerking te nemen giften waren bij de vaststelling van de legitieme.
Partijen twisten in deze procedure over de omvang van de legitimaire massa.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis naar aanleiding van hetgeen geïntimeerden hebben aangevoerd, de voorlopige boedelbeschrijving van appellante gecorrigeerd en heeft verklaard voor recht dat de legitimaire massa van de opengevallen nalatenschap van erflater een bedrag behelst van € 57.915,42 als gevolg waarvan geïntimeerden ieder een vordering hebben op de nalatenschap van 1/10e deel, te weten € 5.791,54, en overige geïntimeerde een vordering van 1/20e deel, te weten een bedrag van € 2.895,77.
Appellante heeft in principaal appel drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
Haar stellingen komen erop neer dat zij al het geld dat zij tijdens het leven van erflater heeft ontvangen, heeft besteed aan, dan wel heeft ontvangen voor de intensieve mantelzorg van geïntimeerde sub 5 in de periode van 2011 tot en met 2015 en dat zij geen onjuiste boedelbeschrijving heeft gedeponeerd.
Geïntimeerden hebben in incidenteel appel zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
Hun stellingen komen erop neer dat de rechtbank niet al hun bezwaren tegen de voorlopige boedelomschrijving van appellante heeft gehonoreerd en dat de legitimaire massa een bedrag van € 194.208,34 bedraagt.
Erfrecht. Legitieme. Geschil tussen erfgenaam en legitimarissen anderzijds over de legitimaire massa. Gift? Zorg. Kosten. Processueel ondeelbare rechtsverhouding?
De rechter oordeelt als volgt.
Alvorens tot behandeling van de grieven over te gaan, overweegt het hof als volgt.
Het hof is van oordeel dat appellante niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen geïntimeerden.
Laatstgenoemden waren immers samen met appellante gedaagden in eerste aanleg.
Hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld tegen degenen die bij de rechtbank als wederpartij met betrekking tot de vordering zijn opgetreden en niet tegen medegedaagden zoals appellante in hoger beroep heeft gedaan.
De uitzondering op deze regel, welke uitzondering voortvloeit uit het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 (HR:2017:411) doet zich hier niet voor, nu gesteld noch gebleken is dat in deze zaak sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (zie ook conclusie A-G van 29 oktober 2021, PHR:2021:1007).
Vast is komen te staan dat erflater in de loop der jaren bedragen heeft overgemaakt aan [appellante] en haar echtgenoot.
De rechtbank heeft overwogen dat alleen giften van invloed zijn op de legitimaire massa, indien zij zijn gedaan binnen vijf jaren voor het overlijden.
Dat betekent dat alleen de giften in de periode 18 november 2010 tot 18 november 2015 kunnen worden betrokken in deze procedure.
Voorts heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Ter zitting en door de overgelegde stukken is duidelijk geworden dat de door erflater overgemaakte bedragen aan appellante en haar echtgenoot geen betrekking hadden op de kosten van geïntimeerde sub 5 omdat die uit haar eigen inkomen konden worden voldaan.
De rechtbank heeft wel aangenomen dat appellante en haar echtgenoot bemoeiingen hebben gehad met de zorg voor en over geïntimeerde sub 5 in Nederland en dat erflater het op zijn plaats vond om hen daarvoor een vergoeding toe te kennen voor diverse onkosten en dergelijke.
Een bedrag van € 100,- per maand acht de rechtbank in dat kader aanvaardbaar.
Een dergelijk bedrag kan worden gezien als een gift aan personen ten aanzien van wie erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven.
Voor het overige moeten de vaste overgemaakte bedragen in het kader van het erfrecht worden gezien als giften in de zin van artikel 4:67, aanhef, onder e BW, zodat deze giften deel uitmaken van de legitimaire massa.
De rechtbank heeft overwogen dat het in de hierboven genoemde periode gaat om een bedrag van in totaal € 37.100,- en heeft de boedelbeschrijving met dit bedrag gecorrigeerd.
Appellante stelt dat zij tezamen met haar echtgenoot in de relevante periode van 2011 tot en met 2015 intensieve mantelzorg heeft verleend aan geïntimeerde sub 5.
Voor erflater heeft dit veel betekend aangezien het hem rust gaf dat zijn dochter in goede handen was.
Het maandelijkse bedrag van € 800,- dat erflater heeft overgemaakt dient gezien te worden als een vergoeding voor mantelzorg in de zin van artikel 4:69 BW.
De begeleiding, ondersteuning en verzorging van geïntimeerde sub 5 was nagenoeg een dagtaak, was althans zeer intensief, zodat voornoemd bedrag niet als bovenmatig kan worden geduid.
Het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 100,- per maand doet geen recht aan de intensief verleende mantelzorg en dient (subsidiair) minimaal gesteld te worden op een bedrag van € 600,- per maand, althans op een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag per maand, aldus appellante.
Geïntimeerden voeren gemotiveerd verweer en wijzen erop dat geïntimeerde sub 5 een Wajong uitkering had waaruit haar kosten betaald konden worden en dat appellante het door haar gestelde onvoldoende heeft onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof neemt – evenals de rechtbank- aan dat appellante en haar echtgenoot tijdens de periode van bewind de nodige zorg en bemoeiing met geïntimeerde sub 5 hebben gehad.
Onbetwist staat echter vast dat geïntimeerde sub 5 in genoemde periode een Wajong uitkering had waaruit de kosten voor geïntimeerde sub 5 betaald konden worden.
Het had dan ook op de weg van appellante gelegen te stellen en met objectief verifieerbare stukken te onderbouwen welke kosten zij voor geïntimeerde sub 5 heeft gemaakt, die niet konden worden voldaan uit de uitkering van geïntimeerde sub 5 en die niet werden voldaan door de instelling waar geïntimeerde sub 5 verbleef, hetgeen zij echter in het geheel heeft nagelaten.
Dat het door erflater betaalde bedrag bedoeld was als vergoeding voor de geleverde mantelzorg op zichzelf, heeft appellante evenmin voldoende onderbouwd.
Het gebruik door appellante van de term mantelzorg in dit verband schept al het vermoeden dat het ging om zorg voor iemand uit haar sociale omgeving waarvoor appellante geen vergoeding zou krijgen.
Zij heeft ook niet gesteld dat zij op grond van een afspraak door erflater betaald zou worden voor inspanningen ten behoeve van geïntimeerde sub 5.
Onder die omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat de door erflater in de relevante periode aan appellante en haar echtgenoot overgemaakte bedragen exceptioneel zijn en niet kunnen worden betiteld als vergoeding voor “mantelzorg” in de zin van artikel 4:69, eerste lid, onder a BW, zoals appellante betoogt.
Nu appellante niet heeft gegriefd tegen de berekening door de rechtbank van het in te brengen bedrag dient dit bedrag als gift te worden gezien en deel uit te maken van de legitimaire massa.
Het voorgaande betekent dat de grief faalt.
De volgende grief van appellante richt zich tegen rechtsoverweging 4.10 van de rechtbank.
Het gaat om een bedrag van € 22.770,- dat in de periode februari 2011 tot en met februari 2012 door erflater aan de echtgenoot van appellante is overgemaakt.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante heeft verklaard dat al die bedragen te maken hebben met geïntimeerde sub 5 en dat veel kosten zijn gemaakt in verband met problemen met de instellingen waar zij verbleef.
Alle kosten zouden telefonisch naar erflater zijn verantwoord.
Zonder nadere onderbouwing van de betaling van deze “kosten” is dit uiteraard geen afdoende verklaring, zo overweegt de rechtbank.
Ook deze bedragen moeten daarom als gift worden beschouwd en zijn onderdeel van de legitimaire massa.
De rechtbank heeft de voorlopige boedelbeschrijving dan ook met een bedrag van € 22.770,- verhoogd.
Appellante stelt in hoger beroep dat de overgemaakte bedragen zijn besteed aan de verhuizingen van geïntimeerde sub 5, het verblijf van geïntimeerde sub 5 gedurende drie maanden bij appellante thuis en een vakantie voor geïntimeerde sub 5 met haar moeder, overige geïntimeerde en een gehandicapt neefje in 2011 die uit Aruba naar Nederland kwamen.
Appellante stelt dat zij de bonnen destijds aan de moeder van geïntimeerde sub 5 heeft meegegeven zodat zij daar niet meer de beschikking over heeft, op een nota van een hotelovernachting na die zij bij de memorie van grieven heeft overgelegd.
Geïntimeerden voeren gemotiveerd verweer en betwisten dat de nota die appellante als productie heeft overgelegd voor hotelovernachtingen ten bedrage van € 1.800,- voor “Fam. Aruba”, is uitgegeven voor de vakantie van geïntimeerde sub 5 met haar moeder, zus en neef, omdat betrokkenen niet op de op de nota genoemde data in Nederland waren.
Het hof overweegt dat het op de weg van appellante had gelegen het door haar gestelde te onderbouwen en met bewijsstukken te staven.
De door appellante overgelegde nota voor hotelovernachtingen in kamer 1 van 22 juni 2011 tot en met 13 juli 2011 is daartoe geheelonvoldoende, te meer daar niet is na te gaan van welk hotel de nota afkomstig is, wie daar hebben verbleven en door wie de nota is betaald.
De overige gestelde kosten zijn door appellante op geen enkele manier onderbouwd.
Van appellante, die in de periode waarin de bedragen door erflater zijn overgemaakt met haar echtgenoot bewindvoerder was van geïntimeerde sub 5, mag worden verwacht dat zij haar administratie over de periode van bewindvoering op orde heeft en het door haar gestelde kan onderbouwen.
Omdat zij dit heeft nagelaten, faalt de grief.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.