De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 augustus 2022 uitspraak gedaan over de inbrengplicht van een gift naar oud recht.
Eisers stellen, samengevat, zich op het standpunt dat de vergunning aan de onderneming in 1991 tegen een veel te lage waarde is overgedragen.
De overdracht door erflater van zijn aandelen in de onderneming aan de beheersmaatschappij van gedaagde in samenhang met de overdracht van de vergunning dient daarom gekwalificeerd te worden als een gift, aldus eisers.
Zij beroepen zich daarbij op de conclusie in het rapport, volgens welke de waarde van de vergunning op het moment van overdracht op € 5.200.000,- gesteld dient te worden.
De gift aan gedaagde stellen eisers op tenminste € 2.282.350,-.
Het voordeel voor gedaagde is – rekening houdend met de belastingdruk – afgerond € 1.700.000,-, aldus eisers.
Deze gift had moeten ingebracht bij het bepalen van hun erfdeel.
Omdat dit niet is gebeurd stellen zij in de akte van verdeling van 3 april 2018 benadeeld te zijn voor meer dan een kwart.
Eisers vorderen primair opnieuw een verdeling waarbij de gift wordt ingebracht.
Gedaagde stelt – samengevat – zich op het standpunt dat de akte van verdeling niet vernietigd kan worden omdat geen sprake is van dwaling omtrent de waarde van de te verdelen goederen en schulden en bovendien dat er geen sprake is van benadeling van meer dan een kwart.
Ook voert gedaagde aan dat eisers in de akte van 3 april 2018 afstand hebben gedaan om ontbinding en vernietiging van de verdeling te vorderen.
Voorts betwist hij dat er sprake was van een gift bij de overname van de vergunning.
Eisers moeten dit bewijzen, aldus gedaagde.
Hij betwist bovendien de conclusie uit het waarderingsrapport dat door eisers is ingebracht.
Erfrecht. Legitieme. Inbreng gift bij verdeling nalatenschap. Inkorting gift bij legitieme. Overgangsrecht. Wijze van berekening. Volgorde inkorting. Verhaal.
De rechter oordeelt als volgt.
Wat de inbreng van giften betreft overweegt de rechtbank dat onder het oude recht gold dat afstammelingen inbrengplichtig waren, tenzij zij daarvan bij de gift of uiterste wilsbeschikking of authentieke akte waren ontheven (artikel 1132 oud BW).
Vaststaat dat gedaagde voor zover er sprake is van een gift niet ontheven is van inbreng.
Artikel 139 Ow NBW bepaalt in dit verband dat een erfgenaam in de neerdalende lijn die onder het oude recht niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng, ook in een na 31 december 2002 (onder het nieuwe recht) opengevallen nalatenschap tot inbreng verplicht blijft.
De wet bepaalt niet uitdrukkelijk of op de inbrengverplichting ingevolge artikel 139 Ow NBW het oude of het nieuwe recht van toepassing is.
De hoofdregel van onmiddellijke werking van de nieuwe wet (artikel 68a Ow NBW) brengt dan met zich dat de nieuwe inbrengregels gelden.
Inbreng leidt ertoe dat de nalatenschap fictief hoger uitvalt dan in werkelijkheid het geval is (artikel 4:233 lid 1 BW).
Op grond van artikel 4:233 lid 2 BW is inbreng niet verplicht voor zover de waarde van de (eventuele) gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam in de nalatenschap.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3:196 BW een verdeling vernietigbaar is wanneer een van partijen omtrent de waarde van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een kwart is benadeeld.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers – anders dan zij stellen – door de verdeling (zoals opgenomen in de akte van verdeling) niet benadeeld voor meer dan een kwart in het geval dat moet worden aangenomen dat gedaagde ten onrechte de door eisers gestelde gift niet heeft ingebracht.
De rechtbank komt als volgt tot deze conclusie:
In de akte van verdeling is in totaal € 246.956,40 tussen 5 kinderen verdeeld, waarbij [eisers] beide een bedrag van € 48.672,88 hebben ontvangen.
Eisers stellen dat gedaagde een gift heeft ontvangen van netto € 1.700.000,- zodat hun erfdeel zou uitkomen op tenminste € 246.956,40 + € 1.700.000,- = € 1.946,956,40 : 5 = € 385.000,- terwijl zij slechts € 48.672,88 hebben ontvangen.
Hierdoor stellen zij benadeeld te zijn voor meer dan een kwart.
Deze berekening van eisers in naar het oordeel van de rechtbank onjuist en niet overeenkomstig de wet.
Uit artikel 4:233 lid 2 BW volgt immers dat gedaagde niet tot inbreng verplicht was voor zover de waarde van de gift groter is dan zijn aandeel in de nalatenschap.
De formule waarmee de omvang van de inbrengplicht van gedaagde moet worden berekend is x = (€ 246.956,40 + x): 5.
X is in dat geval € 61.739,10.
De fictieve nalatenschap bedraagt dan € 308.695,50 waarvan iedere erfgenaam 1/5 deel verkrijgt = € 61.739,10.
Vervolgens moet naar het verschil tussen € 48.672,88 en € 61.739,10 worden gekeken.
Dit verschil is € 13.066,22.
Dit bedrag levert geen benadeling op van meer dan een kwart maar van 21% (€ 13.066,22/€ 61.739,10 x 100% = 21%).
Uit het voorgaande volgt dat de akte van verdeling op grond van artikel 3:196 BW niet vernietigbaar is wegens benadeling van meer dan een kwart.
Het verweer van gedaagde dat de akte van verdeling niet vernietigd kan worden omdat eisers in de akte van verdeling uitdrukkelijk afstand hebben gedaan om ontbinding en vernietiging van de verdeling te vorderen behoeft daarom geen bespreking.
De vordering van eisers onder II primair iii moet worden afgewezen.
Dit betekent dat eisers bij de vorderingen onder II primair i en ii in deze procedure geen belang meer hebben zodat deze vorderingen eveneens worden afgewezen.
Omdat de primaire vordering op grond van artikel 3:196 BW (benadeling voor meer dan een kwart) niet toewijsbaar is, behoeven de andere verweren van gedaagde geen bespreking meer.
Inkorting gift
Eisers beroepen zich subsidiair op hun aanvullende legitieme portie en vorderen dat de gift wordt ingekort en dat gedaagde het verschil betaalt tussen het door hen reeds ontvangen bedrag van € 48.672,88 en 1/10de deel van het zuivere saldo van de nalatenschap als berekend in het kader van de akte van 3 april 2018 vermeerderd met het bedrag van de gift.
Zij berekenen dit op € 79.555,-.
Gedaagde voert aan dat eisers te laat zijn met hun beroep op de legitieme portie.
Ook voert hij aan dat het beroep van eisers op de legitieme portie moet worden afgewezen omdat de vordering eerst op de gezamenlijke erfgenamen dient te worden verhaald.
Vervolgens moet de giften aan de legitimaris zelf in mindering moeten strekken op de legitieme portie, aldus gedaagde.
De rechtbank overweegt dat eisers op 31 maart 2021 aanspraak hebben gemaakt op hun aanvullende legitieme portie.
Dit is naar het oordeel van de rechtbank tijdig gelet op artikel 4:85 BW.
Indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van eisers met betrekking tot de gift van erflater aan gedaagde, kan de legitieme aanspraak van eisers als volgt berekend worden:
– saldo van de nalatenschap € 246.956,-
– gift € 1.700.000,- +
– legitimaire massa € 1.946.956,-
– legitieme portie 1/10 € 194.695,60
– erfdeel € 48.672,-
– legitieme aanspraak € 146.023,60
De rechtbank is van oordeel dat – indien er sprake is van een gift aan gedaagde – eisers op grond van artikel 4:79 BW hun vordering tot uitbetaling van hun legitieme portie hadden moeten instellen tegen
- de gezamenlijke erfgenamen, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig artikel 4:80 lid 1 BW, dan wel
- op de begiftigde, door inkorting als bedoeld in artikel 4:89 BW.
De erfgenamen zijn aansprakelijk naar evenredigheid van hun erfdeel.
Eerst dient de legitimaris zijn vordering op de gezamenlijke erfgenamen te verhalen, en wanneer zijn vordering dan nog niet geheel voldaan is kan hij zich tot de begiftigde wenden.
In dit kader is artikel 4:80 lid 2 BW van belang: de erfgenamen zijn niet verplicht de vorderingen te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde van de nalatenschap te boven gaan.
In dit geval hadden eisers hun vordering tot betaling van hun legitieme aanspraak eerst moeten instellen tegen de gezamenlijke erfgenamen en niet direct tegen begiftigde, de gedaagde.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.