Uit een recent gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Overijssel blijkt maar weer eens hoe belangrijk het voor de advocaat erfrecht is om de vorderingen van zijn cliënt op de juiste manier en tegen de juiste persoon in te stellen.

In het erfrecht kennen we verschillende hoedanigheden: hoedanigheid van erfgenaam, van executeur, van vereffenaar, van voormalig vereffenaar etc. Het lijkt een kleinigheidje, een formaliteit, maar als de advocaat het verkeerd doet is het reden voor afwijzing van alle vorderingen. Het enige dat je dan nog kunt doen is opnieuw beginnen, maar meestal is er in de tussentijd al een jaar, soms nog langer, verstreken. Dergelijke “foutjes” leiden vaak tot veel onbegrip bij de cliënt.

Aan de orde bij de rechtbank Overijssel was de uitbetalingen van de legitieme portie. De legitimaris heeft een vordering op de erfgenaam of erfgenamen.

In casu was in reconventie -door de gedaagde- gevorderd om de erfgenaam te veroordelen de legitieme portie uit te betalen. De betreffende erfgenaam was de procedure echter begonnen in de hoedanigheid van executeur.

Artikel 136 Rechtsvordering maakt het expliciet onmogelijk dat een gedaagde in reconventie een eis instelt die eiser persoonlijk zou treffen (in dit geval als erfgenaam), als die eiser in conventie (aan het begin van de procedure dus) in een bepaalde hoedanigheid is verschenen. In dit geval in de hoedanigheid van executeur.

In dit geval kon de eis niet worden ingesteld tegen de erfgenaam omdat die niet in de procedure was verschenen.  Toch is het jammer dat de eis tegen de verkeerde is ingesteld, want om die reden is de eis afgewezen. En omdat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld worden de proceskosten gecompenseerd. Daar was misschien nog iets te winnen geweest als de eis niet ten onrechte tegen de verkeerde was ingesteld.

Lees hier de hele uitspraak.

Als u vragen hebt of u wilt meer informatie neemt u dan contact op met één van onze gespecialiseerde erfrechtadvocaten Toon Kool of Maddie Wisman: 020 – 3980150.