Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 juli 2018 uitspraak gedaan over een verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW van de erfgenamen om door de kantonrechter te worden gemachtigd om een nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. In de tussenbeschikking heeft de kantonrechter de in het testament genoemde legatarissen, die nog niet in de procedure zijn betrokken, als belanghebbenden bij het verzoek in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek.

Verzoeksters hebben de kantonrechter op grond van artikel 4:194a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om te worden gemachtigd om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden op grond van een onverwacht opgekomen vordering.

Verzoeksters vragen de kantonrechter om te worden gemachtigd om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden.

De wettelijke grondslag van dit verzoek is artikel 4:194a lid 1 BW. Artikel 4:194a lid 1 BW luidt als volgt:

Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden.

Verzoekers zijn erfgenamen van erflaters, zodat zij bevoegd zijn tot het indienen van het onderhavige verzoek.

Het verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW moet worden ingediend binnen drie maanden na ontdekking van de schuld.

De eerste vraag die hier beantwoord moet worden is of sprake is van een schuld.

Immers, belanghebbenden hebben gesteld een vordering op de nalatenschap te hebben, maar verzoeksters betwisten dat.

Belanghebbende hebben in hun brieven van 5 december 2017 en 4 januari 2018 voorgesteld deze kwestie in der minne op te lossen, maar zij hebben ook aangegeven dat als dat niet lukt, zij een advocaat zullen inschakelen om hun belangen te behartigen.

Mr. Van den E heeft ter zitting namens verzoeksters aangegeven dat als mediation mislukt, er inderdaad geprocedeerd zal moeten worden over de claim.

Machtiging om een nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Onverwachte schuld? Oproepen legitimarissen

De rechter oordeelt als volgt.

Op dit moment is nog geen sprake van een gerechtelijke procedure over de claim. Dat sprake is van een schuld van de nalatenschap, staat dus op dit moment nog niet vast. Het is de kantonrechter niet bekend wat de wettelijke grondslag is voor de claim van belanghebbenden, maar als komt vast te staan dat (een deel van) de claim terecht is, zal dit een schuld van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub a BW zijn.

Volgens de toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot onder andere artikel 4:194a lid 1 BW (Kamerstukken II 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 6) wordt met deze bepaling een oplossing geboden voor het probleem dat in uitzonderlijke gevallen een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld van de erflater en deze uit eigen vermogen moet betalen, omdat het nalatenschapssaldo ontoereikend is voor de voldoening van deze schuld.

In het licht van deze ratio is de kantonrechter van oordeel dat voor een beroep op artikel 4:194a lid 1 BW niet (in rechte) vast hoeft te staan dat sprake is van een schuld als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 BW.

Uiteraard zal er wel sprake moeten zijn van een claim die – in potentie – niet volledig van iedere realiteitszin is gespeend en die op enige manier gerelateerd kan worden aan erflater of diens nalatenschap.

In casu is daar sprake van. Bovendien bestaat het risico dat het nalatenschapssaldo ontoereikend is als de gestelde claim zou komen vast te staan. Dat is tezamen, naar het oordeel van de kantonrechter, voldoende voor een beroep op artikel 4:194a lid 1 BW.

Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen wanneer verzoeksters de claim ontdekten.

Volgens mr. M heeft zij met verzoeksters gesproken over de wijze van aanvaarding van de nalatenschap. De claim van belanghebbenden was toen niet bekend, overige schulden, afgezien van de legaten, overigens ook niet. Verzoeksters hebben de nalatenschap weloverwogen zuiver aanvaard. De brief van 5 december 2017 is verzoeksters rauw op hun dak gevallen, aldus mr. M ter zitting. Ook mr. Van den E heeft ter zitting aangegeven dat de ontvangst van de brief van belanghebbenden van 5 december 2017 het eerste moment is waarop verzoeksters bekend werden met de claim.

Omdat niet van feiten en omstandigheden is gebleken die wijzen op een eerdere ontdekking, zal de kantonrechter ervan uitgaan dat verzoeksters de claim ontdekten op 5 december 2017. Onderhavig verzoek is ingediend op 28 februari 2018, zodat het binnen drie maanden na ontdekking van de claim is ingediend. Verzoeksters zijn derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

 Is er sprake van een onverwachte schuld?

De kantonrechter overweegt dat de bescherming van artikel 4:194a BW alleen kan worden ingeroepen voor een onverwachte schuld.

Een onverwachte schuld is een schuld die een erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde.

Met de woorden “kende en behoorde te kennen” wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek. De goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van de aanvaarding van de nalatenschap.

Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden – rekening houdende met zijn eventuele deskundigheid – beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij niet als te goeder trouw worden aangemerkt (Kamerstukken II 2014/2015, 34 224, nr. 3, p. 13).

De vraag of sprake is van een onverwachte schuld moet beoordeeld worden naar het moment dat de erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardde.

Verzoeksters hebben de nalatenschap zuiver aanvaard op 29 september 2017. Volgens verzoeksters was op dat moment de claim van belanghebbenden niet bekend en behoorden zij de claim op dat moment ook niet te kennen.

Ter zitting is desgevraagd toegelicht dat verzoeksters wel bekend waren met het feit dat nog sprake was van onverdeelde aandelen in onroerend goed. Echter, er waren geen moeilijkheden binnen de familie. Volgens mr. Van den E zou erflater vóór zijn overlijden aangegeven hebben dat de onverdeeldheid geen problemen zou opleveren. Erflater had zijn zaken goed op orde. De claim kwam voor verzoeksters geheel onverwacht.

Ook zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen in de stukken of ter zitting, waaruit blijkt dat belanghebbenden eerder dan 5 december 2017 hebben aangegeven dat zij gecompenseerd willen worden voor het genot dat erflater over een periode van 31 jaar van de werkplaats, ark en grond heeft gehad zonder hen als mede-eigenaren daarvoor te compenseren.

Uit de brieven van 5 december 2017 en 4 januari 2018 maakt de kantonrechter bovendien op dat belanghebbenden pas na het overlijden van erflater de mening hebben opgevat dat zij gecompenseerd moeten worden, omdat zij er daarvoor op basis van afspraken met erflater vanuit gingen dat erflater zijn aandeel in het onroerend goed van de vof bij testament aan hen zou nalaten.

Die afspraak met erflater is voor belanghebbenden reden geweest om het beheer en genot van het tot de vof behorende onroerend goed bij erflater te laten tot zijn overlijden. Na het overlijden van erflater zijn belanghebbenden op de hoogte gesteld van het laatste testament van erflater. Daaruit bleek, aldus belanghebbenden in hun brief van 4 januari 2018, dat in het laatste testament van erflater voorbij werd gegaan aan de in het verleden gemaakte afspraken/toezeggingen met betrekking tot het onroerend goed van de vof. Daarom vinden zij nu dat zij gecompenseerd moeten worden, zo begrijpt de kantonrechter hun betoog.

In het licht van deze achtergrond van de claim, gaat de kantonrechter ervan uit dat belanghebbenden zich pas in de periode na het overlijden van erflater op het standpunt hebben gesteld dat zij een claim op de nalatenschap hebben.

Dat zij die claim vóór 5 december 2017 bekend hebben gemaakt aan verzoeksters, is niet gesteld, noch gebleken.

De kantonrechter komt op basis van deze feiten en omstandigheden tot het voorlopig oordeel dat verzoeksters de claim op 29 september 2017 niet kenden en ook niet behoorden te kennen. Dat leidt ertoe dat de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat aan verzoeksters machtiging moet worden verleend om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden.

 Belanghebbenden

De kantonrechter overweegt dat de uitkomst van deze procedure gevolgen kan hebben voor de andere schuldeisers van de nalatenschap, waaronder de legatarissen.

Als de kantonrechter verzoeksters machtigt om beneficiair te aanvaarden, zullen verzoeksters een verklaring van beneficiaire aanvaarding moeten afleggen bij de griffie van deze rechtbank (4:191 lid 1 BW).

Na het afleggen van deze verklaring van beneficiaire aanvaarding, zijn verzoeksters niet langer met hun privé-vermogen aansprakelijk.

Dientengevolge zijn verzoeksters niet meer verplicht de schulden van de nalatenschap, waaronder de gestelde claim, ten laste van hun privévermogen te voldoen. De nalatenschap dient dan volgens afdeling 4.6.3 BW te worden vereffend. (zie ook Asser/Perrick 4 2017/10, nr. 524).

Als de claim volledig komt vast te staan, zal het saldo van de nalatenschap negatief zijn.

De schulden uit legaten komen op grond van artikel 4:7 lid 1 sub h juncto lid 2 BW pas voor voldoening in aanmerking als alle andere schulden van de nalatenschap, waaronder de claim, die zal moeten worden gekwalificeerd als een schuld als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub a BW, zijn voldaan.

Ter betaling van de claim, zullen de goederen van de nalatenschap, waaronder het tot de nalatenschap behorende onroerend goed, in beginsel te gelde moeten worden gemaakt.

De legaten kunnen dan wellicht niet of niet geheel afgegeven worden.

Dat maakt dat de in het testament genoemde legatarissen belanghebbenden zijn in deze procedure.

De kantonrechter zal de legatarissen, die nu nog niet in deze procedure betrokken zijn, daarom in de gelegenheid stellen om binnen vier weken schriftelijk aan de kantonrechter te laten weten wat zijn of haar reactie is op het verzoek van verzoeksters om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Tot die tijd zal de kantonrechter elke beslissing aanhouden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over zuiver of beneficiaire aanvaarding of over de machtiging om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.