Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Limburg heeft op 31 oktober 2018 uitspraak gedaan over het einde van het beheer van de executeur (art. 4:150 BW) en het recht op inzage en afschrift voor legitimaris niet-erfgenaam (art. 4:78 BW)

De rechtbank heeft ter comparitie ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of eiser in zijn vorderingen – met uitzondering van de persoonlijke geldlening – kan worden ontvangen, nu hij deze vorderingen in persoon heeft ingesteld, terwijl gedurende het beheer van de nalatenschap uitsluitend de executeur bevoegd is de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Zijdens eiser is ter comparitie verklaard dat de nalatenschap al is verdeeld en verrekend, zodat hij uit eigen hoofde de vorderingen kan instellen. Dit blijkt uit de overgelegde correspondentie, aldus de raadsman van eiser. Deze stelling is zijdens gedaagde niet betwist.

Einde van het beheer van de executeur. Legitieme. Geldlening? Gift? Recht op inzage en afschrift voor legitimaris niet-erfgenaam

De rechter oordeelt als volgt.

De executeur dient – na het voltooien van zijn taak – het beheer zelf te beëindigen.

Dit kan hij doen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (artikel 4:150 lid 1 BW).

Dit ter beschikking stellen is feitelijk: een eenvoudige kennisgeving aan de erfgenamen door de executeur dat hij zijn taak als geëindigd beschouwt, volstaat.

Aangezien verrekening en verdeling pas mogelijk is nadat de goederen aan de erfgenamen ter beschikking zijn gesteld, begrijpt de rechtbank de (onbetwiste) stellingen van eiser aldus, dat kennelijk zijn taken als executeur zijn voltooid en het beheer is beëindigd.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser kan worden ontvangen in zijn vorderingen. De rechtbank zal voor de mondelinge behandeling van de in dit vonnis niet beoordeelde vorderingen voortzetting van de comparitie bevelen.

Gedaagde heeft primair het bestaan van de geldlening betwist. Zijdens eiser is ter comparitie gesteld dat de overeenkomst mondeling tot stand is gekomen en het bedrag van € 40.000,- in 2008 contant aan gedaagde is verstrekt, zodat hiervan geen stukken beschikbaar zijn.

Het bestaan van de geldlening blijkt volgens eiser echter uit de door hem overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de assurantieadviseur en gedaagde, waaronder de e-mailconversatie van 11 mei 2016.

De gedaagde heeft ter comparitie verklaard dat hij met de weergegeven passage (“mijn legitieme mag voor 80% afgelost worden aan eiser”) bedoelde dat hij ermee akkoord kon gaan dat de nalatenschap niet 75%-25% zou worden verdeeld, maar 80%-20%, in verband met kosten die eiser stelde te hebben gemaakt. Voorts heeft hij verklaard dat hij in de correspondentie het bestaan van de lening nooit heeft betwist, omdat hij er geen zin meer in had.

Gelet op de context – de e-mail van gedaagde is een reactie op de expliciete vraag van de assurantieadviseur of gedaagde zijn legitieme portie opeist, met het voorstel dat deze verrekend kan worden met de schuld aan eiser uit hoofde van de geldleningsovereenkomst – en op de formulering in de e-mail van gedaagde, waarin hij spreekt van het ‘aflossen’ van de legitieme, kan de e-mail van gedaagde niet anders worden uitgelegd dan dat hij daarmee heeft bedoeld dat hij zijn legitieme voor 80% wilde gebruiken om de lening af te lossen en 20% wilde ontvangen om dat aan zijn kinderen te geven.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat gedaagde het bestaan van de door eiser gestelde geldlening heeft erkend.

In ieder geval heeft gedaagde het bestaan daarvan op dat moment niet betwist, hetgeen wel in de lijn der verwachting had gelegen als deze lening hem niet bekend was, gelet op de expliciete vraag van de assurantieadviseur (“graag jouw reactie op de geldleningsovereenkomst”).

De rechtbank voegt hieraan toe dat de verklaring van gedaagde dat het zou gaan om de verdeling van de nalatenschap, waarbij gedaagde met 20% in plaats van 25% genoegen zou nemen in verband met door eiser gestelde kosten op geen enkele wijze steun vindt in de tekst van de beide e-mails van 11 mei 2016.

Subsidiair heeft gedaagde gesteld dat, nu er geen schriftelijke overeenkomst van de geldlening bestaat, ook geen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de opeisbaarheid.

Daaruit volgt, aldus gedaagde, dat de vordering direct opeisbaar was en inmiddels is verjaard.

Zijdens eiser is gesteld dat het feit dat de geldlening niet direct is terugbetaald niet automatisch betekent dat deze is verjaard.

De opeisbaarheid van geldleningen is geregeld in artikel 7:129 onder e BW.

Dit artikel bepaalt dat, als uit de overeenkomst van geldlening geen ander tijdstip voortvloeit, de lener verplicht is het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

Gelet op de stellingen van eiser, die zich bij de onderbouwing van zijn vordering onder meer beroept op de e-mail van assurantieadviseur van 4 februari 2016 heeft eiser zich (in ieder geval) op 3 februari 2016 beroepen op terugbetaling van de lening.

Sindsdien is de verjaringstermijn nog niet verstreken, zodat de rechtbank dit verweer van gedaagde zal verwerpen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat sprake is van een opeisbare overeenkomst van geldlening voldoende vaststaat. Bij eindvonnis zal deze vordering worden toegewezen, waarbij de betaling van dit bedrag zal plaatsvinden via verrekening met de legitieme portie van gedaagde.

Eiser vordert vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 januari 2018. Nu niet nader is gemotiveerd waarom de wettelijke rente vanaf die datum berekend moet worden, zal de rechtbank de wettelijke rente berekenen vanaf datum dagvaarding.

De rechtbank begrijpt de vordering van gedaagde aldus dat deze primair vordert inzage en afschrift van de onder a tot en met g opgesomde bescheiden en verstrekking van alle inlichtingen, subsidiair het verstrekken van een boedelbeschrijving en meer subsidiair een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

Voorop staat dat gedaagde als legitimaris-niet-erfgenaam recht heeft op inzage in en afschriften van bescheiden om te kunnen berekenen hoe groot zijn legitieme portie is.

Gedaagde kan daartoe eiser aanspreken, die in zijn hoedanigheid als enig erfgenaam ingevolge artikel 4:78 lid 1 BW verplicht is de benodigde gegevens aan gedaagde te verschaffen.

Uit de bewoordingen “alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft” en “alle daartoe strekkende inlichtingen” in artikel 4:78 lid 1 BW kan worden afgeleid dat dit begrip weliswaar zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie (vgl. Rb. Limburg 25 januari 2018, RBLIM:2018:803; Vzgr. Rb. Rotterdam, 21 september 2016, RBROT:2016:7812; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, GHARL:2013:9942).

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

Tot de in aanmerking te nemen giften behoren onder meer giften die door de erflater zijn gedaan aan een afstammeling die ook legitimaris is (art. 4:67, aanhef en onder d BW).

Verder geldt als uitgangspunt dat de kosten die met de informatieplicht gepaard gaan, voor zover deze in redelijkheid zijn gemaakt, ten laste van de nalatenschap komen (vgl. Rb. Rotterdam, 21 september 2016, RBROT:2016:7812).

De rechtbank acht aannemelijk dat gedaagde de gevorderde gegevens nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie.

Dit is als zodanig niet in geschil tussen partijen, net zo min als in geschil is dat gedaagde als legitimaris recht heeft op inzage en afschrift van deze bescheiden, met uitzondering van de gegevens omtrent de woning.

Eiser betwist dat sprake is van een schenking en stelt zich op het standpunt dat gedaagde, op wie de stelplicht en bewijslast rust, hieromtrent te weinig heeft gesteld, zodat zijn vordering op dit punt moet worden afgewezen.

De rechtbank begrijpt de vordering van gedaagde tot het verstrekken van inlichtingen over de vergoeding voor de bewoning aldus dat deze is gegrond op artikel 4:78 BW.

De strekking van deze bepaling is juist dat de legitimaris-niet-erfgenaam toegang krijgt tot de informatie die hij nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie.

Daarmee strookt niet dat van de legitimaris kan worden verwacht dat deze zelf al gedetailleerde feitelijke informatie over de gevraagde inlichtingen kan verstrekken.

Gelet op de formulering van artikel 4:78 BW volstaat dat gedaagde stelt – en zo nodig bewijst – dat hij legitimaris-niet-erfgenaam is en dat hij de gevraagde inlichtingen nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in dit geval aan deze stelplicht voldaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het bestaan van de door gedaagde gestelde fiscale naheffing niet is betwist. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat gedaagde de gevraagde inlichtingen nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie, nu het – als zou komen vast te staan dat eiser de woning om niet heeft bewoond – in beginsel mogelijk is dat dit kan worden aangemerkt als een gift die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen.

De rechtbank zal de vordering tot inzage en afschrift van de fiscale naheffing uit hoofde van schenkingsrechten en het verstrekken van nadere inlichtingen over de vergoeding voor de bewoning van het pand dus toewijzen.

De testamenten van de beide ouders, de aangifte successierecht in beide nalatenschappen en de WOZ-beschikkingen in de nalatenschap van de vader van partijen zijn reeds overgelegd, zodat gedaagde bij deze vorderingen geen belang meer heeft.

Voor het overige zullen de vorderingen tot inzage en afschrift van de genoemde bescheiden (bij eindvonnis) worden toegewezen, met bepaling dat de daarvoor in redelijkheid te maken kosten voor rekening van de nalatenschap zullen komen.

De rechtbank overweegt daarbij dat de verstrekte financiële jaaroverzichten, het uittreksel van de bankrekeningen en de aangiftes erfbelasting niet voldoende zijn voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie.

Daarvoor is immers de waarde van alle goederen der nalatenschap van belang en moet inzicht verkregen kunnen worden in het bestaan van eventueel in aanmerking te nemen giften. De vordering tot het verstrekken van “alle inlichtingen” is te onbepaald, zodat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De rechtbank acht het redelijk om aan de inlichtingen en de inzage en afgifte van voornoemde stukken een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis te verbinden. Voor zover deze stukken en inlichtingen gedaagde aanleiding geven tot het aanpassen van zijn stellingen, kunnen deze nieuwe stellingen op de voortgezette comparitie worden besproken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het beheer van de executeur, over het afleggen van rekening en verantwoording, over de legitieme of over het kindsdeel, over inkorting of over een schenking of gift, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.