Hoewel in de wet vrij duidelijk is omschreven welke giften wel of niet meetellen voor de berekening van de legitieme portie ontstaat er toch vaak discussie over. De Rechtbank Limburg boog zich op 12 juli 2017 uitgebreid over een aantal vragen.
Artikel 4:67 BW bepaalt dat de volgende giften in aanmerking moeten worden genomen:
a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;
b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten;
d. giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;
e. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.
Artikel 4:69 BW bepaalt welke giften niet in aanmerking moeten worden genomen:
a. giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater;
b. gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren.
Volgens A en B blijkt uit de bankafschriften van de ouders dat behalve de door C opgegeven € 304.764,-, waarvan A en B elk € 14.892,61 hebben ontvangen, nog € 42.760,- is geschonken aan C . Verder moeten volgens hen ook de kosten die de ouders hebben betaald voor het 25-jarig huwelijksfeest (€ 967,35) en de garagepoort (€ 1.635,-) van C als giften in aanmerking worden genomen.
C voert als verweer dat moet worden uitgegaan van het overzicht van € 304.764,-. Zij betwist dat zij in aanvulling hierop nog € 42.760,- aan giften heeft ontvangen en dat de kosten van het huwelijksfeest en de garagepoort als giften in aanmerking moeten worden genomen. Volgens haar is het bedrag van € 967,35 een gebruikelijke niet-bovenmatige gift, wat wel blijkt uit het feit dat ook A voor zijn jubileum een enveloppe heeft ontvangen, en valt die dus onder de uitzondering van artikel 4:69 onder b BW. Bovendien is de garagepoort op verzoek en in opdracht van vader geplaatst terwijl C hiertoe geen wens had en is C door de plaatsing hiervan niet verrijkt, zodat geen sprake is van bevoordeling van gedaagde uit vrijgevigheid.
De rechtbank oordeelt dat het bedrag van € 967,35 als gift in aanmerking moet worden genomen. Voor de vraag of een gift gebruikelijk en niet bovenmatig is (artikel 4:69 aanhef en onder b BW) is onder meer de financiële positie van de ouders van belang. C heeft weliswaar gesteld dat sprake was van een gebruikelijke, niet bovenmatige gift, maar zij heeft niets aangevoerd omtrent de financiële capaciteit van de ouders. Hiermee mocht zij niet volstaan, zeker niet nu A als verweer heeft gevoerd dat zijn enveloppe slechts € 100,- bevatte en C zelf heeft aangevoerd dat vader en moeder enkel een AOW-uitkering ontvingen en daarom inteerden op hun spaargeld.
De rechtbank oordeelt dat het bedrag van € 1.635,- niet als gift in aanmerking moet worden genomen. Artikel 7:175 BW bepaalt dat een schenking een overeenkomst om niet is, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Artikel 7:186 lid 2 BW bepaalt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. De bevoordeling moet hebben plaatsgevonden uit vrijgevigheid. C heeft betwist dat hiervan sprake is en aangevoerd dat haar vader de poort heeft vervangen uit eigen belang. In rechte is niet meer vast te stellen of dit wel of niet zo is. Dit komt op grond van artikel 150 Rv voor rekening van A en B .
Ten aanzien van het overzicht van € 304.764,- voert C aan dat hiervan een groot gedeelte haar woning betreft. Zij beroept zich op artikel 4:66 lid 3 BW, dat bepaalt dat giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed. Volgens C moet de waarde van de door vader en moeder ontvangen prestaties worden vastgesteld overeenkomstig de methode van de Belastingdienst ter zake verkregen vruchtgebruik, oftewel op € 53.379,-, zodat dit bedrag in mindering strekt op de in aanmerking te nemen giften.
Volgens A en B is niet, zoals vereist, bij de verkoop een recht voorbehouden, maar zijn alleen achteraf wat stukken opgesteld om één en ander dicht te timmeren. Volgens hen waren vader en moeder tot het eind zelf in staat om zichzelf te verzorgen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:66 lid 3 BW moet een gift, bestaande uit de vervreemding van een goed (zoals in dit geval een huis) tegen een tegenprestatie afhankelijk van het leven van erflater (volgens [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident] : verzorging en ondersteuning), worden gewaardeerd volgens de hoofdregel van artikel 4:66 lid 1 BW, oftewel naar de tijdstip van de prestatie. Tussen partijen staat vast dat dit € 210.000,- was (zie 2.6). Hierop moet, als inderdaad sprake is van een situatie als bedoeld in 4:66 lid 3 BW de som van de door de ouders ontvangen prestaties in mindering worden gebracht.
Uit de stukken van de overdracht van de woning aan C blijkt niet dat de overdracht is gebeurd in ruil voor verzorging en ondersteuning. Pas maanden na de overdracht is dit op papier gezet. Gelet op de betwisting door A en B kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:66 lid 3 BW. Hierbij komt dat, zelfs als de ouders en C inderdaad zijn overeengekomen dat C hen in ruil voor de woning zou verzorgen en ondersteunen, de door haar geclaimde waarde van de prestaties onvoldoende is onderbouwd. C heeft geen enkel bewijs overgelegd waaruit blijkt dat, en zo ja, welke prestaties vader en moeder hebben ontvangen, wat gelet op het verweer van A en B wel had gemoeten. Zij sluit aan bij een algemene regeling ten aanzien van vruchtgebruik, maar dat is niet conform het systeem van artikel 4:66 lid 3 BW. De rechtbank zal dus geen bedrag in mindering brengen. Conclusie is dus dat de rechtbank (€ 304.764,- + € 967,35 =) € 305.731,35 als giften in aanmerking neemt.
C voert verder als verweer dat A en B al meer dan genoeg hebben ontvangen. Bovendien hebben A en B volgens C aangegeven dat als C geld nodig had, zij ook wat kregen. A en B hebben dus meer gekregen dan de gift van € 14.892,61 (zie 2.2) , aldus C. Als zij in aanvulling op deze gift meer hebben ontvangen dan € 75.000,- per persoon, dan is hun legitimaire aanspraak al negatief en moeten de vorderingen dus worden afgewezen. Volgens C is dit het geval en moeten de volgende giften nog in aanmerking worden genomen:
– aan A en B:
o het bij de bedrijfsovername genoten voordeel, omdat aan vader bij zijn uittreden alleen eigen vermogen is uitbetaald
o de overdracht van de machines voor fl. 1,-, terwijl die in de concept-jaarrekening van 2005 nog een waarde van fl. 446.966,- (€ 202.824,33) vertegenwoordigden
De rechtbank heeft ter gelegenheid van de comparitie al aangekondigd op dit punt een deskundige te willen benoemen
– aan A:
o de verkrijging van een stuk bouwgrond van ongeveer 100 m2 voor fl. 1.000,- tussen 1994 en 1998, terwijl de waarde van de grond € 200,- tot € 400,- per m2 bedroeg, kortom een schenking van minstens € 20.000,-. Dit betrof een extra stuk tuin om A in staat te stellen kippen te houden, maar waarop hij tegen de zin van vader, die hierover woedend was, een kantoorgebouw heeft laten bouwen. A en B voeren aan dat er nooit een afzonderlijke transactie is geweest met betrekking tot bouwgrond maar dat dit gewoon de tuin was die bij de woning aan de [adres 1] hoorde, die A van vader en moeder had gekocht. De door C overlegde gespreksnotitie, waarop staat “land is bij. +/- 100 m2 voor fl. 1.000,-” zegt niets, want dat is slechts een weergave van wat vader heeft gezegd.
De rechtbank oordeelt dat het op de weg gelegen van C om met stukken te onderbouwen dat sprake was van een aparte transactie. Voor zover het betreffende stuk grond met de woning is overgedragen, geldt dat het er niet toe doet voor wat voor meerprijs het stuk is verkocht, als dit al zo is, omdat het er dan om gaat of de woning met het hierbij behorende perceel voor de juiste waarde is verkocht. Over de waarde van de woning aan de [adres 1] zal de rechtbank onder het volgende kopje oordelen.
o de woning aan de [adres 1] , die voor fl. 260.000,- is overgedragen terwijl die was bezwaard met een hypotheek van fl. 350.000,- , die in 1991 was getaxeerd op fl. 280.000,-, in 1995 voor de berekening van de overdrachtsbelasting is uitgegaan van een waarde van fl. 285.000,- en die in 1997 een WOZ-waarde had van fl. 324.000,-, wat betekent dat de woning tussen de fl. 90.000,- en fl. 20.000,- meer waard was dan dat A ervoor heeft betaald. Er moet worden uitgegaan van de woningwaarde in 1997, omdat toen de juridische eigendom werd overgedragen, een gift kortom van fl. 64.000,-. A en B betwisten dat de woning meer waard was dan de betaalde koopsom. Volgens hen moet voor de waarde van de woning niet worden aangesloten bij de waarde in 1997, zoals door C gesteld, maar bij de waarde in 1994, omdat de eigendom toen juridisch is overgedragen. Een eventuele waardestijging sindsdien komt toe aan de economische eigenaar.
De rechtbank oordeelt dat moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de economische overdracht. Toen is immers de koopsom betaald en is A bevoegd geworden alle handelingen met betrekking tot het verkochte te verrichten als ware hij eigenaar. Dit is het moment dat dus sprake van een eventuele gift, als de koopsom inderdaad minder bedroeg dan de waarde van de woning.
C beargumenteert haar stellingen met een beroep op de WOZ-waarde. Echter, de WOZ-waarde zegt weinig tot niets over de marktwaarde van een woning. De woning is in 1995 niet getaxeerd. Wel is de woning in 1991 getaxeerd, en wel op fl. 280.000,-. Verder hebben A en de ouders de juridische overdracht voor de berekening van de overdrachtsbelasting gesteld op fl. 285.000,-. Hoe lager de woningwaarde, hoe minder belasting er betaald hoefde te worden, dus aannemelijk is dat de woning op dat moment minstens de afgesproken fl. 285.000,- waard was. De rechtbank acht gelet op het beperkte verschil in waarde tussen 1991 en 1997 aannemelijk dat de woning in 1995 in ieder geval fl. 280.000,- waard was. Dit betekent dat de rechtbank oordeelt dat A in ieder geval fl. 20.000,-, oftewel € 9.075,60, heeft ontvangen als gift.
– aan B :
o de kosten van opname en verzorging in München, Duitsland in 2004 en 2005, waaraan vader ongeveer € 23.000,- heeft bijgedragen en waarvan B maar € 13.084,- heeft hoeven terugbetalen. A en B voeren als verweer dat B al zijn kosten met betrekking tot de operaties in München zelf heeft betaald.
De rechtbank stelt vast dat er geen enkel stuk is waaruit blijkt dat aan B meer is geleend dan wel gegeven dan de teruggestorte € 13.084,- of dat de drie kasopnames ten goede zijn gekomen aan B. Ook is er geen enkele aanwijzing dat B niet in staat was de factuurbedragen van zijn operaties zelf te betalen. Het is, anders dan C meent, niet zo dat B al zijn bankafschriften moet overleggen omdat C alle bankafschriften van vader en moeder heeft moeten overleggen. Voor de plicht van C is immers een wettelijke basis, te weten artikel 4:78 lid 1 BW, dat bepaalt dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Een zodanige plicht bestaat er andersom niet. Nogmaals, het is aan C om gemotiveerd te stellen, en zo nodig te bewijzen (welk bewijs zij met betrekking tot dit punt niet heeft aangeboden), dat sprake is van een gift en zij is hierin gelet op het verweer van A en B niet geslaagd.
o de verbouwing van de woning in 2008, waarmee een opname van € 50.000,- gemoeid is geweest. Hetgeen hij had geleend, te weten het bedrag van iets meer dan dertien duizend euro, heeft hij terugbetaald. A en B betwisten de schenking.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken in het dossier niet meer blijkt dan dat er in het jaar van de verbouwing € 50.000,- is overgemaakt van de spaarrekening van vader en moeder naar hun lopende rekening. Wat er vervolgens met dat geld is gebeurd, blijkt nergens uit. Ook hier geldt dat het aan C is om gemotiveerd te stellen, en zo nodig te bewijzen (welk bewijs zij met betrekking tot dit punt niet heeft aangeboden), dat sprake is van een gift en zij is hierin gelet op het verweer van A en B niet geslaagd.
Lees hier de hele uitspraak.