Aan de orde is in augustus 2017 een verzetprocedure bij de Rechtbank Amsterdam. De erfgenamen verzetten zich tegen de uitdelingslijst die de vereffenaar bij de rechtbank heeft neergelegd.
Vader is overleden in 1998, de moeder en zes kinderen waren erfgenamen voor gelijke delen. Er was sprake van een “ouderwetse” ouderlijke boedelverdeling. Alle activa en passiva gingen naar de moeder en de kinderen kregen een niet-opeisbare vordering.
Bij de afwikkeling van de nalatenschap van vader is gebleven dat de moeder en twee van de kinderen drie Zwitserse bankrekeningen hebben verzwegen. De rechtbank heeft in 2005 beslist dat de moeder en deze twee kinderen hun aandeel in het saldo op die bankrekening verbeuren, omdat zij het bestaan van die bankrekeningen jegens de overige erfgenamen hebben verzwegen, verborgen gehouden en/of betwist. Het Hof heeft dit vonnis later bekrachtigd.
Moeder is in 2007 overleden. In haar testament heeft zij bepaald dat de kinderen die destijds samen met haar de Zwitserse bankrekeningen hebben verzwegen niets uit haar nalatenschap krijgen. Deze kinderen doen een beroep op hun legitieme portie. Tot de nalatenschap behoorde onder meer de voormalige ouderlijke villa met een waarde van € 2.200.000,00 op datum overlijden van de moeder. De legitieme portie bedraagt € 156.105,50.
In 2013 is de ouderlijke villa in opdracht van de bank openbaar verkocht voor € 955.000,00. In 2014 is er een vereffenaar benoemd.
Op 28 oktober 2016 heeft de vereffenaar de van dezelfde datum daterende rekening en verantwoording van de vereffening alsmede de uitdelingslijst ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. Als legitieme portie, voor de genoemde twee kinderen, is een bedrag van € 150.125,95 opgenomen.
De erfgenamen zijn van mening dat de waarde van de ouderlijke villa en daardoor de legitimaire massa (en de legitieme portie van de beide legitimarissen) door de rechtbank in 2012 onjuist is vastgesteld, gelet op de nadien gerealiseerde verkoopopbrengst. Thans ontvangen de legitimarissen meer dan de erfgenamen, aldus de erfgenamen.) Dat laatste is mogelijk niet helemaal juist, maar veel scheelt het niet. Hoewel de uitspraak op dit punt niet helemaal duidelijk is zou het zo kunnen zijn dat de ouderlijke woning nagenoeg het enige vermogensbestanddeel is. Wanneer de legitimarissen € 150.125 krijgen resteert er voor de vier erfgenamen € 654.750, is € 163.687 per persoon.
De rechtbank overweegt dat over de omvang van de legitimaire massa reeds een procedure aanhangig is geweest en dat in die procedure reeds vonnis is gewezen. Uitgangspunt is dat de waarde van de legitimaire massa, en de ouderlijke villa als onderdeel daarvan, moet worden bepaald op het moment van overlijden van de moeder. Nu de legitimaire massa aldus reeds bij vonnis is vastgesteld, moet van de juistheid daarvan in de onderhavige procedure worden uitgegaan. (Dat de erfgenamen hoger beroep tegen het vonnis hebben ingesteld kan daar niet aan afdoen, temeer niet nu de erfgenamen in 2015 gezamenlijk hebben besloten tot het stil leggen van de procedure in hoger beroep. […] Daarnaast geldt dat onduidelijk is of de hoger beroepsprocedure tot een andere uitkomst zal leiden. Een en ander leidt tot de slotsom dat het verzet wat betreft de legitieme portie eveneens ongegrond moet worden verklaard.
Lees hier de hele uitspraak.