Uitgangspunt voor het berekenen van de legitieme portie is de waarde van alle vermogensbestanddelen van erflater per datum overlijden, art. 4:65 BW.

Hoe dit in de praktijk uit werkt kan altijd het makkelijkst geillustreerd worden aan de hand van een woning. Als de woning € 200.000,00 waard is op datum ovelrijden, dan is dat het uitgangspunt voor de berekening van de legitieme portie. Als de woning een jaar later € 50.000,00 meer waard is, is dat in het voordeel van de erfgenamen. Is de woning een jaar later € 50.000,00 minder waard is, heeft de legitimaris dus een voordeel genoten.

Dit leek altijd een vrij hard criterium, maar toch kan er op basis van redelijkheid en billijkheid een uitzondering gemaakt worden, aldus het Hof Arnhem-Leeuwarden op 8 december 2015.

Hoewel het Hof in die casus niet oordeelde dat er op gornd van redelijkheid en billijkheid een uitzondering gemaakt moest worden op art. 4:65 BW, blijkt uit de tekst van de uitspraak dat die mogelijkheid in principe wel bestaat.

Het Hof overweegt vrij uitgebreid:

“Op de verhouding tussen de legitimaris als schuldeiser en de erfgenamen als schuldenaren is artikel 6:2 BW van toepassing. Op grond van deze bepaling zijn [appellant] enerzijds en [geïntimeerde 1] c.s. anderzijds verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid en is een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Artikel 3:12 BW bepaalt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken. [geïntimeerde 1] c.s. heeft deze wettelijk verankerde gezichtspunten niet kenbaar betrokken bij zijn stellingen over de door hem gewenste werking van redelijkheid en billijkheid. Het hof onderkent in de stellingen van partijen in het bijzonder de persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken en wel het persoonlijke belang van [geïntimeerde 1] c.s. dat de afwikkeling van de nalatenschap (voor)spoedig en zonder geschillen verloopt en het persoonlijk belang van [appellant] dat de vorderingen die hij als schuldeiser en legitimaris op de nalatenschap van zijn moeder heeft aan hem worden voldaan. Het hof kan in deze zaak geen algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen onderkennen waarmee rekening moet worden gehouden.”

Voor de hele uitspraak, klik hier.