Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Rotterdam heeft op 6 maart 2019 uitspraak gedaan over een vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling en de aanspraak op de legitieme portie.

De moeder heeft op 29 mei 1981 bij testament over haar nalatenschap beschikt en in haar testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen.

Uit hoofde van die ouderlijke boedelverdeling hebben eiseres en gedaagde c.s. een vordering op hun (groot)vader gekregen, welke vordering opeisbaar zou zijn bij zijn overlijden.

Bij brief van 1 mei 2018 heeft eiseres haar vordering ter zake van haar moederlijk erfdeel opgeëist en voorts aanspraak gemaakt op haar legitieme portie betreffende de nalatenschap van erflater.

Gedaagde erkent dat eiseres een vordering op de nalatenschap van erflater heeft en dat haar voorts een beroep toekomt op de legitieme portie, maar acht uitkering van het volledige moederlijk erfdeel aan haar alleen in strijd met het uitgangspunt dat erfgenamen op gelijke wijze moeten worden behandeld.

Doordat een deel van de gelden vastzit in een door erflater aan derden verstrekte hypothecaire geldlening (die pas op 1 februari 2031 eindigt), is het niet mogelijk om alle erfgenamen volledig en in gelijke delen uit te keren.

Vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling en aanspraak op legitieme portie. Misbruik van recht? Gelijke behandeling. Redelijkheid en billijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

De ter comparitie van partijen gestelde vraag of sprake is van misbruik van bevoegdheid door de onderhavige vorderingen in te stellen en deze procedure te voeren, wordt ontkennend beantwoord.

Van misbruik van bevoegdheid zou volgens de Hoge Raad pas sprake zijn als eiseres haar vorderingen had gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR:2007:BA 3516 en HR:2012:BV 7828).

Daarvan is niet gebleken. Eiseres heeft haar vorderingen niet gebaseerd op onjuiste feiten of omstandigheden.

Evenmin is gebleken dat eiseres de vorderingen heeft ingesteld met geen ander doel dan een ander te schaden.

Op grond van de wet is eiseres bevoegd tot het instellen van de onderhavige vorderingen.

Het toewijzen van de onderhavige vorderingen kan echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.

Voldoende is komen vast te staan dat gedaagde onder de gegeven omstandigheden wist dan wel behoorde te weten dat eiseres een vordering op hun (groot)vader had, welke vordering met rente opeisbaar zou zijn bij het overlijden van hun (groot)vader.

Dat gedaagden – die tijdens de comparitie van partijen hebben verklaard dat de notaris, op het moment van aanvaarding van de nalatenschap van erflater door de gezamenlijke erfgenamen, niets heeft gezegd over een eventuele claim van eiseres – mogelijk een onjuiste voorstelling van zaken hadden met betrekking tot de nalatenschapsschulden, maakt dat niet anders.

Een beroep op de goede trouw komt hen niet toe, omdat ook zij onder de gegeven omstandigheden behoorden te weten dat eiseres een vordering op grond van de ouderlijke boedelverdeling had.

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet onder meer rekening worden gehouden met de persoonlijke belangen die in deze zaak zijn betrokken.

Gedaagde c.s. heeft aangevoerd dat een uitkering van het volledige moederlijk erfdeel aan eiseres alleen in strijd is met het uitgangspunt dat erfgenamen op gelijke wijze moeten worden behandeld.

Ook erflater heeft uitdrukkelijk oog gehad voor een gelijke verdeling van zijn nalatenschap over alle kinderen door de kinderen van eiseres in haar plaats tot zijn erfgenamen te benoemen.

Eiseres probeert zich door haar moederlijk erfdeel en de legitieme portie zowel op het nalatenschapsvermogen als op de privévermogens van gedaagde c.s. te verhalen, in een betere positie dan de overige familieleden te plaatsen.

Gedaagde c.s. moet wat hun moederlijk erfdelen betreft immers wachten totdat de gelden die vast zitten in de door erflater verstrekte hypothecaire geldlening, zijn vrijgekomen.

Zelfs al zou, zoals eiseres stelt, een ongelijke verdeling het gevolg zijn van het handelen van gedaagde c.s. zelf, immers zij hebben de mogelijkheid gehad de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden, dan nog staat dit een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid niet in de weg.

Artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder a BW legt gedaagde c.s., als zuiver aanvaardend erfgenamen, weliswaar de verplichting op om een schuld van de nalatenschap ten laste van hun eigen vermogen te voldoen, echter het gaat in deze zaak niet alleen om een rechtsverhouding tussen schuldeiser en erfgenamen, maar tevens om een familierechtelijke verhouding.

De persoonlijke belangen van gedaagde c.s. kunnen eraan in de weg staan dat eiseres met succes een beroep kan doen op uitbetaling van het moederlijk erfdeel en de legitieme portie.

Nu een deel van de gelden van de nalatenschap vast zit in een hypothecaire geldlening en onweersproken is dat gedaagde c.s. niet over (voldoende) liquide middelen beschikt om het moederlijk erfdeel en de legitieme portie te voldoen, is naar het oordeel van de rechtbank toewijzing van de vorderingen van eiseres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Hierbij wordt aangetekend dat eiseres ter zitting heeft opgemerkt dat zij bij toewijzing over zal gaan tot beslaglegging op de privévermogens van gedaagde c.s., waaruit kan worden opgemaakt dat wat eiseres betreft een veroordeling in één keer nagekomen zou moeten worden.

De vorderingen van eiseres zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over het kindsdeel of over de legitieme, over een ouderlijke boedelverdeling of over de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.