Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het vaststellen en de berekening van de legitieme en uitleg gegeven aan artikel 4:67 BW.

Artikel 7:175 lid 1 BW bepaalt dat schenking een overeenkomst om niet is, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.

Artikel 7:186 lid 2 BW bepaalt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Met andere woorden, er moet sprake zijn van een bedoeling/wil van de ene partij de andere partij te bevoordelen, een verarming van de schenker en een verrijking van de begiftigde.

Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

De advocaat van appellante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank artikel 4:67 BW verkeerd heeft geïnterpreteerd. Appellante meent dat, nu zij geen legitimaris van moeder is, de aan haar gedane schenkingen die langer dan vijf jaar vóór het overlijden van moeder zijn gedaan niet meetellen.

Legitieme. Omvang en berekening van de legitieme. Schenking? Gift?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:67 bepaalt dat bij berekening van de legitieme porties in aanmerking worden genomen door de erflater gedane giften aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is (aanhef en lid d) en andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor het overlijden van de erflater is geschied (aanhef en lid e).

Artikel 4:63 lid 2 bepaalt dat legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat voor het zijn van ‘legitimaris’ in de zin van artikel 4:67 lid d BW niet relevant is of een beroep op de legitieme portie is gedaan of niet.

Het woord ‘legitimaris’ in artikel 4:67 lid d duidt de persoon aan die aanspraak kan maken op een legitieme portie, niet slechts de persoon die dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Steun voor deze uitleg biedt de omschrijving die het hiervoor vermelde artikel 4:63 lid 2 BW geeft van legitimarissen, te weten afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen.

In deze omschrijving is niet tevens opgenomen dat deze afstammeling ook daadwerkelijk een beroep moet hebben gedaan op zijn legitieme portie om legitimaris te zijn.

Ook lid 3 van artikel 4:63 BW onderstreept deze uitleg. Daarin is bepaald dat de legitimaris die de nalatenschap verwerpt zijn recht op de legitieme portie verliest, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring van verwerping verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.

Ook in die bepaling is met legitimaris aangeduid degene die een beroep kan doen op de legitieme portie, niet degene die dat al heeft gedaan.

De beperkte uitleg die appellante geeft aan het woord ‘legitimaris’ in deze bepaling zou ertoe kunnen leiden dat de giften die moeder aan haar zuster heeft gedaan wel alle meetellen bij de berekening van de legitieme portie, maar van de giften aan appellante zelf alleen de giften die binnen vijf jaar voor het overlijden van hun moeder zijn uitgevoerd (voor zover ze niet vallen onder artikel 4:67 lid a-c BW), en dat alleen omdat appellante geen aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie.

Zij hoefde zich daarop ook niet te beroepen, omdat zij tot enig erfgename is benoemd en niet is gebleken dat haar legitieme portie is geschonden. De beperkte uitleg van appellante zou ook leiden tot een ongelijke behandeling van appellante en geïntimeerde, terwijl de wet nu juist aan beiden een gelijke mogelijkheid biedt om in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van hun moeder aanspraak te maken op een gedeelte van de waarde van haar vermogen.

Het ligt niet in de rede dat de wetgever een dergelijke ongelijke behandeling mogelijk heeft willen maken.

Dat betekent dat alle giften aan een afstammeling (mits deze of een afstammeling van hem legitimaris is) gedaan, ook indien deze langer dan vijf jaar voor het overlijden van de erflater zijn gedaan, op grond van artikel 4:67 aanhef en sub d BW bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking genomen dienen te worden, ongeacht of deze afstammeling daadwerkelijk een beroep op de legitieme portie heeft gedaan.

Voor de onderhavige giften of schenkingen aan partijen is dus niet lid e maar lid d van artikel 4:67 relevant. De grief faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de legitieme of over een schenking of gift in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.