Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vaststelling van de legitieme en de berekening van de waarde van de legitieme.

De grieven in hoger beroep zien op de vaststelling van de legitieme portie in de nalatenschap.

Vaststelling en berekening van de waarde van de legitieme

De rechter stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW voor de berekening van de legitieme portie moet worden uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de moeder en dat het daarbij gaat om de waarde in het economisch verkeer.

De vordering van de legitimaris betreft de vaststelling van de waarde van de inboedel. De advocaat van legitimaris stelt dat de rechtbank niet had mogen uitgaan van de door geintimeerde gestelde waarde van de inboedel en deze had moeten verplichten de inboedel te laten taxeren door een erkend taxateur.

De rechter overweegt als volgt. De erfgenamen hebben de nalatenschap van de moeder beneficiair aanvaard en dat vanwege het negatieve saldo de taken van de executeur zijn beëindigd.

Geintimeerde is opgetreden als gevolmachtigde van de erfgenamen. Er was op die grond dan ook geen reden om de erfgenamen te verplichten de inboedel te laten taxeren. Ook op de erfgenamen rust geen verplichting om goederen te laten taxeren. Zeker niet nu volgens de erfgenamen de schulden door de vorderingen in de nalatenschap van de vader de waarde van de activa in de nalatenschap van de moeder overtreffen.

Ter uitoefening van zijn rechten als legitimaris staat appellant als legitimaris een aantal rechtsmiddelen ter beschikking, onder meer de mogelijkheden van de artikelen 4:78 lid 2 BW, 4:203 en 4:204 BW e.v., de artikelen 660, 672 en 674 Rv. Dat de legitimaris deze middelen niet te baat heeft genomen, komt voor zijn eigen rekening.

Naar het oordeel van de rechter is de rechtbank op goede gronden uitgegaan van een waarde van de inboedelgoederen van € 2.300,-.

Niet is komen vast te staan dat zich te midden van de inboedel dermate bijzondere goederen bevonden dat deze waarde nog met enig bedrag dient te worden verhoogd. De erfgenamen hebben evenals de legitimaris belang bij een zo hoog mogelijk opbrengst.

De opbrengst van de verkoop is verantwoord en appellant is de gelegenheid geboden de in de garage opgeslagen goederen om niet mee te nemen. Weliswaar heeft appellant het recht om zijn legitieme in geld te ontvangen, maar ook hierin ziet het hof een aanwijzing dat deze goederen geen bijzondere waarde vertegenwoordigen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de legitimaris onvoldoende heeft gesteld om uit te gaan van de waarde van de inboedel en de totaalopbrengst van het door hem overgelegde overzicht.

De advocaat van legitimaris heeft onvoldoende onderbouwd waarom de door erfgenamen verstrekte overzichten met betrekking tot de inboedel onjuist zouden zijn. Hij heeft de foto’s waarop hij zich beroept niet overgelegd en de waarde die hij aan de respectieve inboedelgoederen toekent, kan niet als reëel worden beschouwd. Elke objectieve onderbouwing van deze waarde ontbreekt. In de regel daalt de waarde van eenmaal gekochte inboedelgoederen direct na de aanschaf sterk en valt bij verkoop aan derden geen prijs te realiseren die in de buurt komt van de nieuwwaarde.

Met de volgende grief richt de legitimaris zich tegen overweging van het vonnis over de waarde van de garage van € 18.000,-.

De erfgenamen hebben aansluiting gezocht bij de WOZ waarde, omdat deze volgens hen een goede maatstaf is.

De legitimaris betwist deze waarde en beroept zich op vergelijkbare garages in de omgeving voor de prijs van € 24.000,-. Hij heeft deze stelling niet onderbouwd met bewijsstukken. Dit had wel op zijn weg gelegen. Naar het oordeel van de rechter heeft appellant ten aanzien van dit punt te weinig (concreet) gesteld om te kunnen worden toegelaten tot bewijs.

Nu het hof niet beschikt over een andere reële indicatie van de waarde dan de WOZ waarde en appellant niet heeft gesteld waarom de WOZ waarde in dit geval anderszins geen reële waarde is, gaat het hof met de rechtbank uit van een waarde voor de garage van € 18.000,-.

Het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van rekening en verantwoording

Anders dan de legitimaris stelt verplicht artikel 4:78 BW de erfgenamen slechts tot het verstrekken van informatie nodig voor de berekening van zijn legitieme portie (GHARL:2011:BU9640) en niet tot het afleggen van rekening en verantwoording (GHDHA:2014:2987).

Het hof is eveneens van oordeel dat uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 BW moet worden afgeleid dat dit begrip zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie en dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW geen verplichting inhoudt tot het afleggen van rekening en verantwoording.

De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording veronderstelt immers een rechtsverhouding tussen partijen krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen. Een dergelijke rechtsverhouding ontbreekt tussen de erfgenamen en de legitimaris.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de vaststelling en berekening van de waarde van de legitieme, over het verstrekken van inlichtingen over de legitieme of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.