Aan de orde is de zaak tussen twee broers en de tweede echtgenote van hun vader. De vader is overleden en heeft bij testament van 2000 zijn vrouw tot enig erfgenaam benoemd. Onder het kopje ‘Ouderlijke boedelverdeling’ heeft erflater bepaald dat, voor het geval zijn nakomelingen een beroep doen op hun legitieme portie, aan zijn vrouw alle tot de nalatenschap behorende goederen worden toegedeeld […..] en wegens overbedeling uit te keren aan de beide broers een bedrag in contanten gelijk aan de waarde van het erfdeel van die erfgenaam verminderd met [….] en de erfbelasting. Deze vorderingen zijn, mede ter voldoening van erflaters natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van zijn echtgenote, pas opeisbaar als de echtgenote overlijdt.

Broer 1 is met de echtgenote overeengekomen dat zij hem ter uitkering van zijn legitieme portie een bedrag van € 92.742,- zou uitbetalen. Broer 2 heeft nog niets gekregen.

De echtgenote heeft de door haar bewoonde voormalige echtelijke woning aan in juni 2013 verkocht voor € 1.275.000,-. Van dit bedrag is bij verkoop en levering € 130.000,- in depot gebleven. De beide broers hebben beslag gelegd op dit bedrag.

De broers vorderen onder de vaststeling van de vordering van broer 2 ter hoogte van € 98.496,00. Tevens vorderen zij een bankgarantie dan wel aanhouding van het depot. De vordering van broer 2 is weliswaar pas opeisbaar bij het overlijden van de echtgenote maar de broers stellen dat door het stellen van zekerheid geen inbreuk wordt gepleegd op de natuurlijke verbintenis van erflater jegens zijn echtgenote. Zij heeft door de verkoop van het huis de beschikking gekregen over een onbelaste opbrengst van € 1.285.000,-, zij is 94 jaar oud, ontvangt AOW en nabestaandenpensioen en woont in een verzorgingshuis. De broers beroepen zich op redelijkheid en billijkheid met betrekking tot de vordering, omdat de echtgenote alles in het werk zal stellen opdat na haar overlijden geen vermogen meer aanwezig is om tot uitkering van de erfdelen aan de broers te komen. Het hof is het met de broers eens en oordeelt dat het belang van broer 2 tot handhaving van het gelegde beslag tot zekerstelling van zijn verhaal zwaarder weegt dan het belang van de echtgenote om vrij over het beslagen bedrag te kunnen beschikken.

Wanneer u wil dat wij bekijken of ook in uw geval er mogelijkheden zijn om zekerheid te verkrijgen voor uw niet-opeisbare vordering, neemt u dan contact op met Maddie Wisman of Toon Kool.

Wanneer u dat wilt kunt u hier de hele uitspraak lezen.