Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 04 september 2018 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Legitieme? Legaat van ‘een bedrag in contanten ter grootte van zijn legitieme portie’.

In 2008 is overleden D, hierna te noemen de erflaatster. De erflaatster in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met F sr. Het huwelijk is door het overlijden van laatstgenoemde ontbonden in 1983. Uit het huwelijk van de erflaatster zijn geboren appellant en geïntimeerden.

De erflaatster heeft laatstelijk bij openbaar testament, op 17 februari 2003 verleden voor mr. S. K, destijds notaris te Slochteren over haar nalatenschap beschikt.

De erflaatster heeft krachtens haar uiterste wil onder meer onder bezwaar van een legaat van ‘een bedrag in contanten ter grootte van zijn legitieme portie’ aan appellant als enige erfgenamen van haar nalatenschap achtergelaten geïntimeerden, ieder voor de helft.

De erflaatster heeft in of omstreeks november 2007 in de in Vaduz zetelende stichting naar Liechtensteins recht “Sommerstrauch Stiftung”, die de erflaatster in 1994 heeft doen oprichten, hierna te noemen de stichting, een bedrag van € 3.126.532,- ingebracht.

De begunstigden van de stichting zijn op grond van het reglement van de stichting in verbinding met art. 8 van haar statuten de erflaatster (‘Erstbegünstigung’) en na haar overlijden appellant ende erfgenaam, ieder voor de helft (‘Nachbegünstigungen)’.

Blijkens het hiervoor overwogene heeft de erflaatster onder meer een legaat van een geldsom ‘ter grootte van zijn legitieme portie’ ten behoeve van appellant gemaakt en hem door de door haar gemaakte erfstelling ten gunste van de erfgenamen middellijk onterfd.

In de stellingen, die erfgenamen aan het door hen gevorderde ten grondslag leggen, ligt besloten dat zij de zinsnede ‘ter grootte van zijn legitieme portie’ in de uiterste wil van de erflaatster opvatten ‘als ter grootte van hetgeen appellant ten aanzien van zijn legitieme portie te kort zou komen, als het geldlegaat zelf niet ware gemaakt’.

Daarentegen ligt in de stellingen die appellant aan het door hem gevorderde ten grondslag legt, besloten dat hij de zinsnede ‘ter grootte van zijn legitieme portie’ opvat als ‘ter grootte van een bedrag dat gelijk is aan zijn rekenkundig aandeel in de legitimaire massa’.

Bij deze opvatting wordt derhalve – anders dan bij die van de erfgenamen geabstraheerd van hetgeen hij onder de levenden of bij dode door toedoen van de erflaatster mocht hebben verkregen.

Uitleg van testament. Legitieme? Legaat van een bedrag in contanten ter grootte van de legitieme portie.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter is van oordeel dat met toepassing van de uitleggingsmaatstaf van artikel 4:46 lid 1 BW de zinsnede ‘ter grootte van zijn legitieme portie’ is op te vatten als door erfgenamen stilzwijgend voorgestaan.

Appellant heeft naar het hof van het oordeel niet, althans niet overtuigend, inzichtelijk gemaakt om welke redenen bij de uitlegging van de uiterste wil van de erflaatster geabstraheerd zou moeten worden van hetgeen hij onder de levenden of bij dode door toedoen van de erflaatster heeft verkregen.

De aanpassing van de regeling van de legitieme portie

Artikel 2:285 BW bepaalt dat het doel van een stichting niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.

Daardoor ontbreekt in het Nederlandse recht in de wettelijke regeling van de legitieme portie een specifieke bepaling voor een situatie als de onderhavige waarin de erflaatster een bedrag in een stichting naar buitenlands recht heeft onderbracht, terwijl aanvankelijk de erflaatster zelf de exclusieve begunstigde van de stichting was en na haar overlijden appellant en erfgenaam dat zijn geworden.

Bij de berekening van hetgeen appellant ten aanzien van zijn legitieme portie tekort komt, welke berekening nodig is om de grootte van het te zijnen behoeve gemaakte geldlegaat te berekenen, behoeft derhalve de wettelijke regeling van de legitieme portie in zodanige mate aanpassing aan het buitenlandse element van het te beoordelen geval dat de ratio en de opzet ervan tot hun recht komen.

De primaire vordering van de erfgenamen strekt tot het geven van een verklaring van recht die inhoudt dat de legitieme portie van appellant in de nalatenschap van de erflaatster nihil bedraagt.

Het hof begrijpt dat – mede gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – het belang van de erfgenamen bij hun vordering daarin is gelegen dat komt vast te staan dat zij niet tot betaling van enig bedrag uit hoofde van het, door de erflaatster bij haar uiterste wil ten behoeve van appellant gemaakte, geldlegaat zijn gehouden op de grond dat appellant ten aanzien van zijn legitieme portie niets te kort is gekomen.

Met het oog op de berekening van het geldlegaat ten behoeve van appellant overweegt het hof nog dat in het kader van de berekening van de legitimaire massa – mede gelet op de hiervoor genoemde aanpassing – de som van de waarden van de Nachbegünstigungen ten behoeve van appellant en de erfgenaam naar de sterfdag van de erflater in aanmerking is te nemen, terwijl voor de berekening van hetgeen appellant ten aanzien zijn legitieme portie te kort komt, de Nachbegünstigung te zijnen behoeve als een in zijn belang gemaakt legaat naar de waarde van de sterfdag van de erflaatster is te behandelen.

Hieraan voegt het hof nog toe, dat de grootte van het door de erflaatster bij de uiterste wil gemaakte legaat een beloop van een bedrag van € 0,- heeft, indien appellant ten aanzien van zijn legitieme portie niets te kort is gekomen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over een legaat of over de uitleg van een testament, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.