Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 9 januari 2018 uitspraak gedaan over de legitieme portie en over de vraag of sprake was van een gedane gift.

De erflaatster had drie kinderen. Een kind van erflaatster is overleden op 22 mei 2001 met achterlating van twee kinderen.

Bij testament van 10 juli 2013 heeft de erflaatster laatstelijk over haar nalatenschap beschikt. In dit testament heeft zij haar twee kinderen voor gelijke delen tot haar erfgenamen en tezamen tot executeur benoemd en heeft zij twee andere kinderen onterfd. Voorts heeft zij in haar testament voor zover van belang het volgende bepaald:

“Ik sluit mijn kleinzoon uit van erfopvolging daar hij tijdens mijn leven reeds vermogen van mij heeft verkregen.

(…)

  1. Onterving

(…)

  1. Ik sluit mijn kleinzoon, alsmede zijn afstammelingen uit van erfopvolging.

Indien hij een beroep doet op zijn legitieme portie op grond van de nalatenschap van zijn vader, dan zal hij de schenking welke hij van mij heeft gekregen (ter grootte van destijds zeventigduizend gulden (f. 70.000,-) dienen in te brengen in mijn nalatenschap en deze schenking dienen te verrekenen met zijn vordering uit zijn legitieme portie (…)”.

Blijkens een op 24 oktober 2013 notarieel opgemaakte verklaring van erfrecht en executele hebben de twee erfgenamen de nalatenschap van de erflaatster zuiver aanvaard en ook de benoeming tot executeur aanvaard.

De onterfde kinderen hebben een beroep op hun legitieme portie gedaan.

Niet-ontvankelijkheid?

Alvorens de grieven te bespreken, zal het hof ingaan op het verweer van de executeurs dat de legitimaris niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat hij hen uitsluitend pro se heeft gedagvaard en niet in hun hoedanigheid van executeurs, terwijl de executeurs in dezen privatief bevoegd zijn wegens het nog voortduren van de executele.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid slaagt niet. Weliswaar is de dagvaarding in hoger beroep aan de executeurs in persoon uitgebracht, maar in de memorie van grieven zijn zij in hun hoedanigheid van executeurs als geïntimeerden genoemd. Voorts zijn zij in die memorie bij de bespreking van de grieven steeds als “executeurs” aangeduid. Geïntimeerden hebben derhalve kunnen en moeten begrijpen dat het hoger beroep (mede) gericht was tegen hen in hun hoedanigheid van executeurs. Uit de inhoud van de memorie van antwoord blijkt dat dat zij het hoger beroep ook in die zin hebben begrepen.

De volgende grieven zijn – samengevat – gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voorshands bewezen wordt geacht dat de erflaatster een schenking heeft gedaan aan de legitimaris van f. 70.000,- dat hij er niet in is geslaagd het door de rechtbank aangenomen bewijsvermoeden te ontzenuwen en dat om die reden de verklaringen van de getuigen aan de zijde van de executeurs (verder) geen bespreking behoeven.

Legitieme portie en gift. Bewijs. Getuigenverklaringen.

De rechter overweegt als volgt.

De erfgenamen erkennen de aanspraak op de legitieme portie maar stellen dat voor de bepaling van de hoogte daarvan een schenking van de erflaatster aan de legitimaris in aanmerking moet worden genomen. Nu zij zich beroepen op de rechtsgevolgen van dit feit dragen zij de stelplicht en de bewijslast voor de (vermeende) gift.

De rechtbank heeft in het licht van de verklaring van de ex-echtgenote van de legitimaris – in het bijzonder de verklaring dat de erflaatster de legitimaris een geldbedrag heeft gegeven en de concrete toelichting met welk doel zij hem dit geldbedrag heeft geschonken – én in het licht van de bepalingen betreffende de schenking in het testament van de erflaatster voorshands bewezen geacht dat erflaatster een bedrag van f. 70.000,- aan de legitimaris heeft geschonken.

Het hof gaat niet mee in de stelling van de legitimaris dat de verklaring van zijn ex-echtgenote buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze onbetrouwbaar is. Het (enkele) gegeven dat de verhouding tussen legitimaris en zijn ex-echtgenote is verstoord als gevolg van de echtscheiding en/of dat zij ten overstaan van een notaris een beëdigde verklaring heeft afgelegd maar met een beroep op haar verschoningsrecht niet ten overstaan van de rechtbank een verklaring heeft willen afleggen, maakt/maken haar verklaring(en) niet onbetrouwbaar. Indien de legitimaris heeft willen betogen, dat zijn ex-echtgenote haar verklaring uit rancune zou hebben afgelegd, heeft hij daartoe onvoldoende aangevoerd.

Dit laatste geldt ook voor zijn betoog dat zijn ex-echtgenote zich op haar verschoningsrecht heeft beroepen, omdat zij geen inzicht had in de financiële zaken van het gezin, omdat alleen hij zich daarmee bezighield en zij mede om die reden ook geen concreet bedrag heeft kunnen noemen. De verklaring van de getuige waarop de legitimaris zich hiervoor beroept en die gebaseerd is op een verklaring van hemzelf en bovendien weinig concreet is, vormt daartoe onvoldoende onderbouwing.

De rechter heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de ex-echtgenote tegenover de notaris afgelegde beëdigde verklaring. Juist uit de manier waarop zij heeft verklaard, volgt – zoals ook geïntimeerden in hun eigen bewoordingen hebben betoogd – dat zij wist van de hoed en de rand en dat zij op de hoogte was van wat er is gebeurd.

De omstandigheid dat zij zich wellicht niet bezighield met de financiële zaken van het gezin, brengt niet mee dat zij ook niet op de hoogte was van de aankoop van de woning en de (wijze van) financiering daarvan.

Dat zij geen concreet bedrag van de schenking heeft kunnen noemen doet hieraan evenmin af. Dit duidt er veeleer op dat zij heeft verklaard overeenkomstig hetgeen zij wist.

Het hof acht in dit kader van belang dat de legitimaris de juistheid van de datum van aanschaf en het bedrag van de verkoopprijs van het appartement in de verklaring van zijn ex-echtgenote niet heeft betwist en dat hij geen gegevens heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de koopsom van dit appartement, zoals hij met verwijzing naar zijn in hoger beroep overgelegde verklaring van 12 april 2017 stelt, geheel uit eigen middelen is voldaan, terwijl juist hij degene was die de financiën beheerde.

Evenmin heeft hij op andere wijze inzicht in de gang van zaken met betrekking tot de aankoop van het appartement gegeven. Hij heeft ook niet betwist dat in de periode van aankoop van het appartement – zoals de erfgenamen stellen te hebben vernomen van de ex-echtgenote van de legitimaris – ook de echtelijke woning van de legitimaris en zijn ex-echtgenote is aangekocht met behulp van de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning in Engeland.

Gelet op dit alles heeft de legitimaris onvoldoende onderbouwd dat hij eigen middelen ter beschikking had voor de aankoop van het appartement, zoals hij stelt.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op basis van de inhoud van de verklaring van de ex-echtgenote van de legitimaris in samenhang met de verklaringen van de erflaatster in haar testament tot het voorshands bewezen oordeel kunnen komen.

Uit deze verklaringen, die in alle opzichten op elkaar aansluiten, blijkt dat de erflaatster een bedrag van vele tienduizenden guldens, f. 70.000,-, heeft geschonken. De stelling van de legitimaris dat de verklaring van de erflaatster in haar testament, dat hij f. 70.000,- van haar heeft gekregen, in het geheel niet wordt ondersteund door bewijs gaat, gelet op de verklaring van zijn ex-echtgenote dat het ging om meerdere tienduizenden guldens, niet op.

Dat de erflaatster in haar testament niet heeft omschreven met welk doel zij het bedrag heeft geschonken, is in het licht van beide verklaringen in samenhang bezien en het hetgeen hiervoor is overwogen niet relevant.

Dat geldt ook voor het onvermeld laten in het testament van de datum waarop de schenking is gedaan.

Voor de totstandkoming van deze schenking was enkel vereist een gift (overgave uit vrijgevigheid) van hand tot hand van geld.

In dat kader heeft zijn ex-echtgenote verklaard: “heeft gekregen uit de handen van zijn oma” en “oma heeft ons dit bedrag geschonken. We hebben dit nooit hoeven terug te betalen”.

De verklaringen van de erflaatster zijn hiermee niet in strijd. Zowel de ex-echtgenote als de erflaatster spreken over een bedrag in guldens, zodat duidelijk is, dat het gaat om een schenking uit het tijdperk voor de invoering van de euro, terwijl voorts de ex-echtgenote een datum noemt voor welke de schenking is gedaan, welke datum is gelegen in het tijdperk voor de invoering van de euro.

Aan het standpunt van de legitimaris ter zitting dat de erfgenaam de erflaatster zou hebben ingefluisterd het testament te maken conform de huidige inhoud, komt gelet op de betwisting door de erfgenaam geen betekenis toe.

Evenmin komt betekenis toe aan de stelling van de legitimaris dat de legitieme portie kan worden omzeild door een eenzijdige verklaring van erflaatster in haar testament en dat dit zou strijden met de legitieme portie en de gedachte die daaraan ten grondslag ligt.

De legitimaris behoudt zijn recht een beroep te doen op zijn legitieme portie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft hij onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat erflaatster dit recht heeft willen omzeilen.

Evenals de rechtbank is het hof in het licht van het vorenstaande van oordeel dat de legitimaris er niet in is geslaagd het door de rechtbank aangenomen bewijsvermoeden te ontzenuwen.

De inhoud van de niet onderbouwde verklaring van de legitimaris van 12 april 2017 en de summiere verklaring van de getuige, gebaseerd op hetgeen deze van de legitimaris zelf heeft gehoord, is onvoldoende om de inhoud van de verklaringen van de ex-echtgenote van de legitimaris en de verklaringen van de erflaatster in haar testament te ontkrachten.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de getuigenverklaringen aan de zijde van de executeurs (verder) geen bespreking behoeven.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over giften in het erfrecht, over de taken en bevoegdheden van een executeur of over de bewijsvoering in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.