Van onze advocaat legitieme. De Hoge Raad heeft op 21 december 2018 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van een ongelijke behandeling in het internationale privaatrecht bij verschil van verkrijging in het erfrecht.

Artikel 1:94 lid 2, aanhef en onder a, BW (Hoge Raad: zoals deze bepaling luidde ten tijde van de uitspraken van het hof) bepaalt dat de gemeenschap van goederen alle goederen van partijen omvat, met uitzondering van (onder meer) goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

De doelstelling van deze bepaling is volgens HR 21 november 1980, NJ 1981/193 te bewerkstelligen dat de wil van de erflater om de door hem nagelaten goederen aan een der echtgenoten, met uitsluiting van de andere echtgenoot, ten goede te doen komen, niet wordt doorkruist door het huwelijksgoederenregime dat tussen echtgenoten geldt of zal gelden.

De vrouw heeft betoogd dat haar moeder als Russische erflater niet wist van het vereiste van een uitsluitingsclausule in een uiterste wilsbeschikking en daarop, anders dan Nederlandse erflaters, ook niet bedacht behoefde te zijn omdat naar Russisch recht een erfenis altijd uitsluitend toekomt aan degene die erfgenaam is en niet mede aan diens echtgenoot.

Uit nalatenschap krachtens Russisch erfrecht verkregen goed zonder uitsluitingsclausule. Ongeoorloofde ongelijke behandeling Nederlandse en buitenlandse erflaters? Beperkende werking redelijkheid en billijkheid?

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

Het is de vraag of artikel 1:94 BW aldus een niet-gerechtvaardigd onderscheid maakt tussen Nederlandse en Russische erflaters.

Het middel is in al zijn onderdelen gericht tegen het oordeel van het hof dat artikel 1:94 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW (zoals die bepaling luidde ten tijde van de uitspraken van het hof) een ongeoorloofde ongelijke behandeling meebrengt van Nederlandse en Russische erflaters en dat die bepaling in zoverre buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 Eerste Protocol, behoudens door de man aan te voeren omstandigheden die dat onderscheid rechtvaardigen.

Het onderdeel bevat de klacht dat het hof, in plaats van art. 1:94 (oud) BW buiten toepassing te laten, had dienen te onderzoeken of toepassing van die bepaling met betrekking tot de Russische onroerende zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging van die zaak door de vrouw Russisch recht van toepassing is, welk recht op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dat het Nederlandse recht.

Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat geen sprake is van onderscheid als bedoeld in art. 14 EVRM.

Het onderdeel betoogt verder dat het oordeel van het hof dat het doel dat met art. 1:94 BW wordt nagestreefd het door die bepaling gemaakte onderscheid niet kan rechtvaardigen, rechtens onjuist is.

Het hof heeft een ongeoorloofde ongelijke behandeling aanwezig geacht op de grond dat art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW een buitenlandse erflater feitelijk in een ongunstiger positie brengt dan een Nederlandse erflater, omdat een buitenlandse erflater er veelal niet op bedacht zal zijn dat hetgeen hij aan een erfgenaam nalaat zonder uitsluitingsclausule, naar Nederlands recht ingevolge de regel van art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW in een – bestaande of toekomstige – huwelijksgemeenschap van die erfgenaam valt.

Het gaat aldus om het verschil tussen Nederlandse en niet-Nederlandse erflaters wat betreft hun bekendheid met en toegang tot die regel van Nederlands huwelijksvermogensrecht.

Dit verschil is terug te voeren op het naast elkaar bestaan van verschillende rechtsstelsels en de noodzaak in een internationaal geval de regels van één van de daarbij betrokken rechtsstelsels toe te passen.

Mede in aanmerking genomen hetgeen wordt overwogen, is dit verschil niet van zodanige betekenis dat kan worden gesproken van een ongeoorloofde ongelijke behandeling.

De omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging van vermogensbestanddelen door een echtgenoot buitenlands recht van toepassing is dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht, kan meebrengen dat het beroep op art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet. (Zie voor het vorenstaande HR 17 februari 2017, HR:2017:276.)

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over een uitsluitingsclausule, over de uitleg van een testament, over de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht of over het internationaal privaatrecht en het internationaal erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.