Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 december 2018 uitspraak gedaan over inkorting op giften in verband met een overname van het agrarisch bedrijf door de onterfde broer.

Volgens eisers is er sprake van een gift ter hoogte van € 1.490.387,00 omdat de in de notariële akte opgenomen overnamesom voor (kort samengevat) ‘het bedrijf’ door vader aan gedaagde is kwijtgescholden.

Dat vader daarvoor heeft gekozen maakt volgens eisers dat er sprake is van een bewuste bevoordeling van gedaagde waar de door eisers ingeroepen gevolgen aan moeten worden verbonden. Eiser en gedaagde verwijzen in dit kader naar de notariële akte met daarin de betreffende overnamesom en de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde overnamebalans (opgesteld door Trippel AAA) waarin (na aftrek van schulden) (ook) wordt gesproken over een overnamesom ter hoogte van € 1.490.387,00.

Gedaagde betwist dat er sprake is van een gift. Gedaagde voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat de bedrijfsoverdracht op basis van voortzettingswaarde tot stand is gekomen, zonder bevoordelingsbedoeling, waarbij hij het bedrijf nog juist lonend zou kunnen voortzetten.

Gedaagde verwijst daarvoor naar de in het geding gebrachte memo van Trippel AAA. Hij verwijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004 (HR:2004:AN8172, NJ 2004/653). Er waren volgens gedaagde geen mogelijkheden om zijn vader uit te kopen of de in de notariële akte genoemde overnamesom te financieren bij de bank.

Legitieme. Inkorting op giften in verband met overname van een agrarisch bedrijf door onterfde broer? Gift in de vorm van het kwijtschelden van de overnamesom voor het bedrijf?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 4:67 aanhef en onder e van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden bij de berekening van de legitieme portie door erflater gedane giften in aanmerking genomen, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.

Ter beoordeling staat dus of het kwijtschelden van de overnamesom – wat binnen de hiervoor bedoelde vijfjaarperiode is geschied – is aan te merken als en gift in de zin van de wet (artikel 7:186 lid 2 BW).

Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt voorop dat het een algemeen bekend gegeven is dat ingeval een bedrijfsovernemer de vrije verkeerswaarde voor een akkerbouwbedrijf moet betalen en grotendeels dient te financieren, een bedrijfsoverdracht in veel gevallen niet tot de mogelijkheden behoort.

Een bedrijfsoverdracht in de agrarische sector van ouder op kind wordt dan ook vaak geregeld door middel van het sluiten van een overeenkomst van personenvennootschap, waarin een bepaling is opgenomen dat de bedrijfsovernemer het aandeel van degene die de onderneming staakt, kan overnemen tegen een waarde die lager is gelegen dan de waarde in het vrije economische verkeer.

In de onderhavige zaak is de overdracht van het bedrijf op gedaagde voorafgegaan door het sluiten van een maatschap. Het ging om een (langdurige) samenwerking in het kader van een in familieverband uitgeoefend akkerbouwbedrijf waarin eerst gedaagde en vader en ten slotte alleen gedaagde activiteiten hebben ontplooid.

Daarbij is in artikel 24 van de maatschapsovereenkomst (van 2004) een waarderingsmaatstaf voor alle goederen vastgesteld voor het geval de maatschap eindigt en het bedrijf door één van de maten wordt voortgezet. Daarbij is specifiek opgenomen dat de waarde van de goederen wordt gesteld op ‘de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening’.

Door gedaagde is onder punt 118 van zijn pleitnota aangevoerd dat dit artikel kan worden uitgelegd als waardering naar ‘agrarische waarde’.

De rechtbank gaat er gelet op de stellingen van gedaagde vanuit dat hij voor wat betreft het begrip ‘agrarische waarde’ bedoelt de waarde waarbij een nog juist lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk zou zijn.

Gedaagde heeft bij zijn conclusie van antwoord onweersproken aangevoerd het altijd de intentie van vader is geweest om het bedrijf over te laten nemen door gedaagde.

Voor vader (geboren in 1933) speelde daarbij een rol dat hij op een gegeven moment een leeftijd zou bereiken dat van hem niet meer een actieve rol in de bedrijfsvoering verwacht kon worden en eisers geen interesse hadden om in het bedrijf (mee) te werken of het bedrijf over te nemen.

Gedaagde betwist dat er bij het kwijtschelden van de overnamesom door vader een bevoordelingsbedoeling is geweest. Dit omdat vader en gedaagde in de maatschapsovereenkomst van 2004 onder andere een meerwaardeclausule hebben afgesproken.

Bij de vaststelling van de overnamesom zijn vader en gedaagde niet over één nacht ijs gegaan. Gedaagde heeft immers ter gelegenheid van het pleidooi verklaard, en dit is niet weersproken, dat er ten aanzien van de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een grondige voorbereiding en een gedegen financiële en fiscale begeleiding.

Zo heeft gedaagde aangevoerd dat de fiscale en administratieve voorbereiding van de bedrijfsoverdracht in de periode voor 2010 vorm is gegeven door A Accountants.

Ook heeft gedaagde aangevoerd dat de waardering van de maatschap door middel van taxatie al ruim een jaar voordien heeft plaatsgevonden.

Tot slot heeft gedaagde aangevoerd dat vader en hij zich ter zake de bedrijfsoverdracht (ook) lieten adviseren en begeleiden door Trippel AAA. In een door Trippel AAA opgestelde overnamebalans valt (na aftrek van schulden) een overnamesom van € 1.490.387,00 te lezen.

Onder voornoemde begeleiding is, op grond van de maatschapsovereenkomst de overnameprijs van € 1.490.387,00 tot stand gekomen en opgenomen in de notariële akte van 2010.

De notariële akte spreekt immers over: “is conform het bepaalde in de maatschapsovereenkomst, door partijen de overname som vastgesteld“.

De notariële akte levert op grond van artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingend bewijs op van de overnamesom die vader en gedaagde voor ogen hadden bij de bedrijfsoverdracht. Dit ongeacht de vraag of deze overnamesom de economische of de agrarische waarde van het bedrijf betreft.

Vast staat dat vader gedaagde de overnamesom heeft kwijtgescholden.

Dat betekent dat gedaagde het bedrijf heeft gekregen zonder daarvoor iets te betalen. Dat kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een gift.

Gedaagde is daardoor immers, conform artikel 7:186 lid 2 BW, ten koste van het vermogen van vader verrijkt. Dat vader en [gedaagde] in de maatschapsovereenkomst van 2004 een meerwaardeclausule hebben opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel.

Daarvoor is redengevend dat de meerwaardeclausule beperkt van duur is.

Daarnaast treedt de meerwaardeclausule slechts in werking in het geval van vervreemding, onteigening en het ter beschikking stellen van goederen van het bedrijf. Gedaagde kan, behoudens de in de meerwaardeclausule opgenomen handelingen al volledig van de vruchten van het bedrijf genieten.

Gedaagde voert echter, onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van
13 februari 2004 en van de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2014 aan, dat er, in weerwil van de notariële akte, een (veel lagere) overnamesom tussen zijn vader en hem is overeengekomen die in overeenstemming was met de daadwerkelijke agrarische waarde van het bedrijf zodat er geen sprake is van een gift.

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Blijkens de uitspraken waar gedaagde naar verwijst, geldt in een geval van agrarische bedrijfsopvolging dat, als het uitdrukkelijk de bedoeling van de vennoten is geweest om het bedrijf te laten voortzetten tegen uitbetaling van een zodanig bedrag, dat die voortgezette exploitatie nog juist lonend is, de waardering van de van het bedrijf deel uitmakende zaken niet zo mag zijn, dat die voortzetting van een nog juist lonend bedrijf onmogelijk wordt gemaakt.

Die situatie doet zich in deze zaak echter niet voor. Immers, uit de notariële akte volgt dwingend de bedoeling van vader en gedaagde, namelijk dat gedaagde het bedrijf over zou nemen voor de som van € 1.490.387,00. Vader en gedaagde hebben (onder professionele begeleiding) het bedrijf op dit bedrag gewaardeerd.

Gelet op het daarop gerichte verweer van gedaagde lag het op zijn weg om tegenbewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is hij (alle door partijen aangedragen bewijsmiddelen bijeen genomen) daarin niet geslaagd omdat niet vast is komen te staan dat de in de notariële akte opgenomen overnamesom niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen. Daarbij acht de rechtbank het navolgende van belang.

Trippel AAA heeft in een memo verklaard: “Zoals hiervoor vermeld is het de bedoeling van ouders geweest om de onderneming aan zoon over te dragen voor een dusdanige waarde dat een lonende exploitatie nog mogelijk is.(…) Hiervan uitgaande bedraagt de “verkrijging bij bedrijfsoverdracht” dan: € 929.152 – € 617.680 = € 311.972. (…)”.

Waaruit die bedoeling van de ouders kan worden afgeleid blijkt niet uit de memo. In de memo gaat Trippel AAA klaarblijkelijk uit van een bedoelde overnamesom ten bedrage van € 311.972,00. Dit bedrag wijkt af van de in 2010 door Trippel AAA opgestelde overnamebalans. Gelet op die afwijking, legt de memo onvoldoende gewicht in de schaal om als tegenbewijs te kunnen dienen. Daarnaast merkt de rechtbank op dat er een discrepantie bestaat tussen de volgens de memo daadwerkelijk bedoelde overnamesom van € 311.972,00 en het feit dat gedaagde vanwege de kwijtschelding van de overnamesom door vader, niets heeft betaald voor de overname van het bedrijf. Zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, doet deze discrepantie afbreuk aan de geloofwaardigheid, zodat daaraan geen betekenis wordt toegekend.

Ook heeft gedaagde geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe de overdrachtsprijs destijds is bepaald (bijvoorbeeld door overlegging van een ondernemingsplan of een bedrijfseconomische analyse) en die aantonen wat een redelijke overdrachtsprijs was. De stelling dat de (op basis van de geldende waarderingsgrondslag berekende) overnamesom voor gedaagde niet financierbaar zou zijn (wat op basis van de voorliggende gegevens overigens nog niet zeker is), is in dit licht niet voldoende om tegenbewijs aan te nemen. De enkele omstandigheid dat de bedrijfsoverdracht aan gedaagde met gebruikmaking van de fiscale doorschuivingsregeling heeft plaatsgevonden leidt evenmin tot een ander oordeel.

Het voorgaande brengt met zich dat er sprake is geweest van een gift aan gedaagde voor een bedrag van € 1.490.387,00.

Dit bedrag moet als gift in aanmerking worden genomen bij de (her)berekening van de legitieme porties van eisers.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de inkorting op grond van een gift of een schenking of over een bedrijfsovername binnen het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.