Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 21 februari 2017 uitspraak gedaan over een latere vaststelling in rechte dat erflater nog een dochter had. Dochter moet alsnog als legitimaris worden aangemerkt. Termijn voor vordering instelling legitieme verlopen? Heeft de enig erfgenaam onrechtmatig gehandeld door in het kader van het opmaken van de verklaring van erfrecht na te laten de notaris op de hoogte te stellen van de positie van de dochter?

Geïntimeerde is krachtens testament enige en algehele erfgenaam in de nalatenschap van zijn oom, hierna: erflater, die in 2002 is overleden. Bij beschikking van 26 september 2012 heeft dit hof vastgesteld dat erflater de vader is van appellante. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind, zodat de appellante op grond van voormelde beschikking alsnog als legitimaris van erflater moet worden aangemerkt.

 Termijn voor vordering instelling legitieme verlopen?

Nu de nalatenschap onder oud erfrecht is opengevallen, is op grond van artikel 128 lid 2 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek de termijn van vijf jaar na het overlijden van erflater waarbinnen appellante haar legitimaire vordering nog kon instellen en daarmee de status van erfgenaam kon verwerven, verlopen.

Heeft de enig erfgenaam onrechtmatig gehandeld door in het kader van het opmaken van de verklaring van erfrecht na te laten de notaris op de hoogte te stellen van de positie van de dochter?

Appellante heeft in eerste aanleg kort gezegd betoogd dat de geïntimeerde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door tijdens het gesprek dat op 24 mei 2002 op een notariskantoor heeft plaatsgevonden in het kader van het opmaken van een verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van erflater, na te laten de kandidaat-notaris op de hoogte te stellen van het bestaan van appellante, haar (mogelijke) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting van erflater ten behoeve van de appellante. Dit terwijl geïntimeerde wel op de hoogte was van haar bestaan en haar mogelijke aanspraak op de nalatenschap van erflater.

De rechtbank heeft voorshands aannemelijk geacht de stellingen van appellante dat geïntimeerde heeft nagelaten de kandidaat-notaris tijden het gesprek van 24 mei 2002 op de hoogte te stellen van het bestaan van appellante, haar (mogelijk) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voorvloeiende alimentatieverplichting en heeft aan geïntimeerde tegenbewijs opgedragen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2 is vermeld.

De grief van appellante beperkt zich – naar het hof begrijpt – louter tot de omstandigheid dat volgens haar geen van de door de rechtbank gehoorde getuigen heeft verklaard over het deel van het door de geïntimeerde te leveren tegenbewijs dat ziet op het gestelde nalaten van geïntimeerde de kandidaat-notaris op de hoogte te stellen van ‘de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting.’ Dit terwijl geïntimeerde heeft verklaard dat hij destijds op de hoogte was van het bestaan van voormeld alimentatievonnis, aldus appellante. Zij is dan ook van mening dat geïntimeerde niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs zoals opgedragen bij het bestreden vonnis.

De advocaat van geïntimeerde verweert zich daartegen en wijst erop dat de verklaring van een partijgetuige in het kader van tegenbewijs niet de beperkte bewijswaarde heeft als bedoeld in artikel 164, tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). Volgens geïntimeerde heeft hij op 30 januari 2015 als partijgetuige onder meer verklaard dat hij de kandidaat-notaris heeft meegedeeld dat er een rechtszaak was geweest met als uitkomst dat erflater alimentatie moest betalen, dat erflater in die zaak de verkeerde getuigen had voorgebracht en altijd heeft ontkend dat hij de vader van de appellante was, alsmede dat erflater om hem moverende redenen indertijd niet in hoger beroep is gegaan tegen gemeld vonnis.

Het hof begrijpt uit de grief van appellante dat de kern van haar grief is dat de rechtbank het bewijs onjuist heeft gewaardeerd. Uit artikel 152 Rv. volgt dat de vrije bewijsleer geldt en wel in die zin dat de waardering van bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Het is de taak van de rechter om op een begrijpelijke wijze te komen tot een waardering van het bewijs. De kern van de bewijsopdracht was dat geïntimeerde de kandidaat-notaris heeft geïnformeerd over de mogelijke afstamming van appellante van erflater.

Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde stelt terecht dat hij in casu tegenbewijs mocht leveren met behulp van zijn eigen verklaring, zoals hij in eerste aanleg ook heeft gedaan. Deze verklaring ziet mede op het op de hoogte brengen van de kandidaat-notaris van het bestaan van meergemeld alimentatievonnis. De verklaring van geïntimeerde heeft dezelfde bewijskracht als de verklaringen van de overige door de rechtbank gehoorde getuigen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat geïntimeerde het voorshands aangenomen bewijs ook op dit punt heeft ontzenuwd.

Niet aannemelijk is dat geïntimeerde de kandidaat-notaris wel ingelicht zou hebben over het bestaan van appellante en haar (mogelijke) afstamming van erflater – welke feiten in hoger beroep als vaststaand moeten worden aangenomen, nu hiertegen geen grief is gericht – maar de informatie met betrekking tot het alimentatievonnis zou hebben achtergehouden. Dat de andere getuigen hierover niet hebben verklaard, acht het hof niet relevant: door geïntimeerde is niet gesteld dat hij de positie van appellante tot in alle details met de getuigen heeft besproken.

Het hof komt derhalve ook in hoger beroep tot de slotsom dat geïntimeerde is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen tegenbewijs. Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 150 Rv. weer van toepassing wordt en op appellante de bewijslast komt te rusten van haar stelling dat geïntimeerde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten de kandidaat-notaris tijdens het gesprek van 24 mei 2002 op de hoogte te stellen van het bestaan van de appellante, haar (mogelijke) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting. Appellante heeft in hoger beroep evenwel geen bewijs aangeboden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geïntimeerde de kandidaat-notaris wel voldoende deugdelijk heeft ingelicht zoals vermeld en dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van geïntimeerde jegens appellante.

Het vorenstaande brengt mee dat de vorderingen van appellante dienen te worden afgewezen, hetgeen leidt tot bekrachtiging in zoverre van het bestreden vonnis.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.