Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 3 mei 2017 uitspraak gedaan over het verstrekken van informatie over en de berekening van de legitieme portie in een nalatenschap.
Partijen zijn het erover eens dat de door moeder in haar testament benoemde executeur mr. S zijn benoeming niet heeft aanvaard en dat gedaagde als enig erfgenaam de afwikkeling van de nalatenschap op zich heeft genomen. Nu gedaagde de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, kan eiser als schuldeiser van de nalatenschap zijn vorderingen tevens verhalen op het eigen vermogen van gedaagde welk vermogen zich heeft vermengd met de nalatenschap. Eiser kan gedaagde dus aanspreken tot nakoming van het testament van moeder.
Met het overlijden van moeder op 15 januari 2015 is de vordering van eiser ad € 70.947,- die hij uit hoofde van de nalatenschap van vader heeft opeisbaar geworden. Op 20 oktober 2015 heeft gedaagde ten laste van de nalatenschap van moeder € 70.000,- aan eiser uitbetaald. De resterende € 947,- is op 16 maart 2016 betaald. Daarmee is de volledige hoofdsom voldaan. De vordering tot betaling van € 947,- zal dan ook worden afgewezen.
Wettelijke rente verschuldigd?
Tussen partijen is in geschil of over de vordering van eiser vanaf het overlijden van moeder wettelijke rente verschuldigd is. Artikel 4:13 lid 4 BW bepaalt dat het bedrag van de geldvordering van ieder kind wordt vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes. De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking een hiervan afwijkende renteregeling treffen of de vordering renteloos maken. Ook de echtgenoot en de kinderen kunnen tezamen een van de wettelijke regeling afwijkende afspraak maken, hetgeen hier is gebeurd. In de akte afgifte legaat van 4 oktober 2011 staat immers dat de vorderingen van de kinderen op moeder niet rentedragend zijn. De vraag is of deze afspraak zo moet worden uitgelegd dat de vorderingen nooit rentedragend zullen zijn dan wel dat de vorderingen vanaf het moment waarop zij door het overlijden van moeder opeisbaar zijn, wel rentedragend zijn.
De objectieve maatstaf voor de uitleg van notariële leverings- en vestigingsakten geldt niet voor de uitleg van obligatoire partijafspraken. In dit geval gaat het om de uitleg van een in de akte afgifte legaat opgenomen contractuele renteclausule, die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Die uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Deze norm houdt in dat bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen, maar dat de taalkundige betekenis die deze bewoordingen normaal gesproken hebben wel van belang is.
Partijen hebben omtrent de bedoeling van de rentebepaling niets gesteld. De rechtbank zal daarom uitgaan van de taalkundige betekenis van de bewoordingen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in de akte is opgenomen dat de vorderingen niet rentedragend zijn, omdat moeder het vruchtgebruik heeft van die vorderingen. Gelet op die bewoordingen brengt een redelijke uitleg van de bepaling mee dat vorderingen wel rentedragend zijn vanaf het moment waarop het vruchtgebruik eindigt en de vorderingen opeisbaar zijn. Over de vorderingen van de kinderen is dus vanaf de datum van overlijden van moeder rente verschuldigd. Nu de afspraak uit de akte afgifte legaat waarin wordt afgeweken van artikel 4:13 lid 4 BW niet langer geldt, herleeft de wettelijke regeling. Dit betekent dat de geldvordering van eiser vanaf 15 januari 2015 dient te worden vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes. Aangezien de wettelijke rente (niet zijnde de wettelijke handelsrente) vanaf 1 januari 2015 tot op heden 2% bedraagt, geldt de vermeerdering ingevolge artikel 4:13 lid 4 BW hier niet.
Voor zover eiser in dit verband aanspraak maakt op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW geldt dat deze is pas verschuldigd is indien en zodra sprake is van verzuim aan de zijde van gedaagde.
Verzuim is niet gelijk te stellen aan opeisbaarheid van de vordering, maar van verzuim is sprake indien de schuldenaar bij schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming is gesteld, in gebreke is gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke ingebrekestelling heeft plaats gevonden. Daar komt nog bij dat verzuim niet ontstaat indien de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, hetgeen hier het geval is. Gedaagde kon pas tot uitbetaling van de vorderingen van zijn broers overgaan nadat hij de ouderlijke woning had verkocht en geleverd, hetgeen op 1 oktober 2015 heeft plaatsgevonden waarna hij binnen een maand nadien de aan zijn broers toekomende bedragen heeft uitgekeerd. Weliswaar heeft gedaagde een restant van € 947,- pas na dagvaarding, wat als een ingebrekestelling beschouwd kan worden, betaald, maar nu tevens vast staat dat hij ook nog een bedrag van € 1.094,96 aan rente heeft voldaan, moet het ervoor worden gehouden dat hij de over dat restant verschuldigde rente (ruimschoots) heeft voldaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Betaling legitieme portie. Afgifte van stukken?
In haar testament heeft moeder bepaald dat eiser een legaat toekomt van een bedrag in contanten gelijk aan de hoogte van zijn legitieme portie in de nalatenschap.
Eiser vordert primair betaling van het legaat en stelt dat de waarde daarvan moet worden vastgesteld op € 34.103,50. Gedaagde betwist de door eiser gemaakte berekening en dat de waarde van het legaat volgens zijn berekening € 20.742,83 bedraagt.
In artikel 4:65 BW is bepaald dat legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van moeder in ieder geval bestaat uit de volgende goederen: de woning, de inboedel en de banksaldi. Voor de berekening van de legitimaire massa moeten in ieder geval de volgende schulden daar op in mindering worden gebracht: de kosten van de uitvaart en de vorderingen van de kinderen op moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader.
De woning is voor een bedrag van € 336.000,-. verkocht en geleverd. Blijkens de door de notaris opgestelde nota van afrekening resteert na aftrek van kosten € 328.690,69. De rechtbank ziet geen aanleiding uit te gaan van een lagere makelaarscourtage dan in de nota vermeld. Bij het opstellen van de nota van afrekening had de notaris de beschikking over de onderliggende nota van de makelaar en de notaris heeft kennelijk geen reden gezien om aan die nota te twijfelen. Aangenomen mag worden dat, indien de nota van de makelaar tevens betrekking zou hebben op de verkoop van een (andere) woning – zoals eiser suggereert – de notaris die kosten niet in de nota van afrekening zou hebben opgenomen. Ter zitting heeft gedaagde bovendien onweersproken gesteld dat hij zijn eigen woning zonder inschakeling van een makelaar heeft verkocht. De rechtbank ziet gelet op voorgaande geen aanleiding om aan de nota van afrekening van de notaris te twijfelen en zal wat betreft de woning uitgaan van een waarde van € 328.690,69.
De inboedel, juwelen en muntenverzameling zijn door eiser gewaardeerd op € 10.000,-. Volgens gedaagde is dat ten onrechte, omdat de inboedel door partijen in de akte afgifte legaat is vastgesteld op € 100,- en ook in de aangifte successierecht van dit bedrag is uitgegaan. Eiser stelt dat de inboedel ten tijde van het overlijden van moeder meer waard was. Gedaagde betwist dat en betoogt dat een groot deel van de inboedel, de sieraden en de muntenverzameling door moeder voor haar overlijden reeds onder haar drie kinderen is verdeeld dan wel is verkocht.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. In de op 25 juni 2008 door partijen ondertekende aangifte recht van successie is de gezamenlijke inboedel gewaardeerd op een bedrag van € 100,-. Hierna heeft in oktober 2010 een kort gedingprocedure plaatsgevonden tussen moeder en gedaagde enerzijds en eiser en C anderzijds. Inzet van dat geding was de uitvoering van het testament van vader. Ter beëindiging van het geschil hebben partijen ter zitting van 14 oktober 2010 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat behalve de waarde van de onroerende zaak, de baten en lasten niet in geschil zijn. In 2011 heeft opnieuw een kort geding plaatsgevonden en in het vonnis van de voorzieningenrechter van 15 september 2011 is overwogen dat eiser en C niet terug kunnen komen op de vaststellingsovereenkomst en hun instemming met de waardering van de huisraad op € 100. Eiser, gedaagde, C en moeder hebben daarna de akte afgifte legaat ondertekend waarin de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedel is vastgesteld op € 100,-. Uitgangspunt is derhalve dat de gehele inboedel ten tijde van het overlijden van vader een waarde had van € 100,-. Nu gesteld noch gebleken is dat omvang van de inboedel na het overlijden van vader significant is toegenomen, door eiser niet voldoende is weersproken dat moeder na het overlijden van vader een deel van de inboedel reeds heeft verdeeld dan wel verkocht en eiser niet heeft onderbouwd hoe hij tot het bedrag van € 10.000,- is gekomen, zal de rechtbank de inboedel waarderen op € 100.
Volgens de door gedaagde in het geding gebrachte bankafschriften bedragen de banksaldi van de drie bankrekeningen van moeder op de datum van overlijden in totaal € 12.517,95. De stelling van eiser dat alle volgbladen van de bankafschriften moeten worden overgelegd wordt gepasseerd, omdat enkel de banksaldi op de datum van overlijden van belang zijn voor de berekening van de legitimaire massa. Wat er na die datum met de banksaldi is gebeurd, is voor de legitimaire massa niet relevant. Eiser is in zijn berekening uitgegaan van een vierde bankrekening, te weten een ING-bankrekening. Gedaagde heeft echter gesteld dat deze bankrekening reeds voor het overlijden van moeder was opgeheven, hetgeen door eiser onvoldoende is weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank blijken de banksaldi ten tijde van het overlijden genoegzaam uit de overgelegde bankafschriften en nu dit bedrag bovendien overeenkomt met de aangifte erfbelasting zal bij de berekening van de waarde van de nalatenschap worden uitgegaan van een bedrag van € 12.517,95.
In zijn berekening van de nalatenschap gaat eiser uit van een bedrag van € 203,- aan contant geld en een bedrag van € 354,- aan vorderingen. In de berekening van gedaagde komen deze bedragen niet terug. Nu de bedragen in de berekening van eiser afkomstig zijn uit de door gedaagde opgestelde aangifte erfbelasting had het op de weg van gedaagde gelegen toe te lichten waarom hij deze bedragen wel in de aangifte erfbelasting heeft opgenomen, maar in zijn berekening buiten beschouwing heeft gelaten. Nu hij die toelichting niet heeft gegeven, zal de rechtbank bij de berekening van de waarde van de nalatenschap uitgaan van € 203,- aan contanten en € 354,- aan vorderingen.
Partijen zijn het erover eens dat de bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking te nemen schulden zijn:
kosten uitvaart € 2.675,-
erfdelen kinderen nalatenschap vader € 212.841,-
belastingschulden € 747,-
overige schulden € 1.143,-
totaal € 217.406,-
Uit het vorenstaande volgt dat dat de bezittingen van de nalatenschap een waarde vertegenwoordigen van € 341.865,64 waarop een bedrag van € 217.406,- aan in aanmerking te nemen schulden in mindering moet worden gebracht.
Voor de berekening van de legitieme portie dienen daarbij te worden opgeteld door erflater gedane giften als bedoeld in artikel 4:67 BW. De schenking van € 5.000,- van moeder aan gedaagde op 2 januari 2015 is een gift als bedoeld in artikel 4:67 sub d BW en moet bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking worden genomen. De legitimaire massa bedraagt dus € 129.459,64. De legitieme portie van eiser bedraagt de helft van deze waarde, gedeeld door drie, hetgeen neerkomt op € 21.576,61.
De rechtbank komt aldus tot een lagere waarde van de legitieme portie dan eiser, zodat de primaire vordering tot betaling van € 34.103,50 zal worden afgewezen. Subsidiair vordert eiser afgifte van een aantal stukken teneinde de waarde van zijn legitieme portie te kunnen berekenen. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Het volledige testament is in deze procedure reeds overgelegd en het taxatierapport van de woning is niet relevant, nu de woning reeds is verkocht voor € 336.000,-. Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen volgt dat een overzicht van alle goederen op het moment van overlijden en een taxatierapport inzake de inboedel, juwelen en muntenverzameling niet relevant zijn. Kopieën van de bankrekeningen waaruit het saldo op de datum van overlijden blijkt zijn reeds overgelegd. Ter zitting heeft eiser ingestemd met de door gedaagde opgegeven schulden, zodat bij het gevorderde overzicht van alle schulden ook geen belang meer bestaat.
De advocaat van eiser vordert voorts kopieën van de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting 2011 tot en met 2015, een opgave van alle giften die door moeder zijn gedaan en verder alle informatie met bewijsstukken die overigens voor de berekening van de legitieme portie van belang kan zijn. Eiser stelt dat hij belang heeft bij deze stukken, omdat hij inzage wenst in het verloop van het vermogen van moeder om te zien of gedaagde de financiën van moeder tijdens haar leven correct heeft beheerd. Eiser beroept zich daarbij op de artikelen 4:78 en 3:15j BW jo. 843a Rv.
Verstrekken van informatie over de legitieme
Artikel 4:78 BW verplicht de erfgenamen slechts tot het verstrekken van informatie nodig voor de berekening van zijn legitieme portie (GHARL:2011:BU9640) en niet tot het afleggen van rekening en verantwoording (GHDHA:2014:2987). Op gedaagde rust dan ook niet de verplichting om inzage te geven in het verloop van het vermogen van moeder tijdens haar leven en ook niet na haar overlijden, aangezien met het door hem verleende beheer niet een rechtsverhouding is geschapen op grond waarvan gedaagde jegens eiser gehouden is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Die rechtsverhouding is ook nadien niet ontstaan, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de moeder bij leven geen bezwaren heeft gehad tegen de wijze waarop gedaagde van het beheer over haar financiën heeft gevoerd. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. De vordering van eiser tot het verstrekken van de aangiften inkomstenbelasting 2011 tot en met 2015 zal derhalve worden afgewezen. Gedaagde is wel gehouden om opgave te doen van alle giften die door moeder zijn gedaan, maar die opgave heeft hij reeds gedaan en de door hem opgegeven gift van € 5.000,- is ook bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking genomen.
Tot slot is gedaagde op grond van artikel 4:78 lid 1 BW verplicht alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie te verschaffen. Die informatie is echter beperkt tot de elementen die voor de berekening van de legitieme portie van belang zijn en dat zijn de waarde van de goederen van de nalatenschap en de schulden en giften. Uit het voorgaande blijkt immers dat die benodigde informatie reeds is verstrekt. De subsidiaire vordering tot het verstrekken van afgifte van stukken zal dan ook worden afgewezen.
Nu de rechtbank daarvoor over voldoende informatie beschikt zal zij de legitieme portie van eiser in deze procedure zelf vaststellen op een bedrag van € 21.576,61. Eiser vordert wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2015, althans vanaf 20 januari 2016, althans vanaf de dag der dagvaarding. Zoals hiervoor al is overwogen, is eerst wettelijke rente verschuldigd als gedaagde in verzuim is, welk verzuim pas kan ontstaan nadat hij deugdelijk in gebreke is gesteld. Bij brief van 20 januari 2016 heeft de advocaat van eiser weliswaar een termijn gesteld aan gedaagde, maar die termijn ziet op het verstrekken van informatie en niet op betaling van de legitieme portie. Deze brief kan dan ook niet als ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW worden aangemerkt waarmee gedaagde in verzuim is komen te verkeren. Aangezien gesteld noch gebleken is dat gedaagde eerder in verzuim is gebracht dan bij dagvaarding op 24 maart 2016, is eerst vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd.
De vordering om te bepalen dat alle advocaatkosten die eiser heeft moeten maken om van gedaagde betaling te verkrijgen c.q. informatie en afschrift van stukken ten laste van de nalatenschap moet worden gebracht zal worden afgewezen bij gebrek aan feitelijke en juridische grondslag. De door eiser gemaakte kosten vormen geen kosten als bedoeld in artikel 4:7 BW en een andere wettelijke grondslag voor vergoeding van de kosten ontbreekt. De enkele stelling dat gedaagde niet de transparantie heeft betracht die hij had moeten betrachten, is onvoldoende om onrechtmatig handelen van gedaagde te kunnen aannemen die hem tot vergoeding van schade zou verplichten.
Tot slot vordert eiser te bepalen dat eventuele navorderingen en/of naheffingen en/of fiscale boeten die aan hem worden opgelegd en die voortvloeien uit de aangifte erfbelasting ten laste van de nalatenschap moeten worden gebracht. Eiser legt aan deze vordering ten grondslag dat gedaagde voor alle legatarissen en legitimarissen aangifte erfbelasting heeft gedaan, terwijl hij geen executeur is en hij dus alleen voor zichzelf aangifte had mogen doen.
De rechtbank overweegt het volgende. Voor zover zou blijken dat de aangifte door gedaagde onjuist is geweest en een navordering c.q. naheffing volgt, betreft dit een bedrag dat eiser bij een juiste aangifte ook verschuldigd zou zijn geweest. Eiser komt door een mogelijk onjuiste aangifte dus niet in een slechtere financiële positie te verkeren en lijdt derhalve geen schade. Indien het feit dat gedaagde ten onrechte voor eiser aangifte erfbelasting heeft gedaan leidt tot een boete of andere verhoging ten laste van eiser dan dient eiser gedaagde daar persoonlijk voor aan te spreken. Er is geen grond om die boete c.q. verhoging ten laste van de nalatenschap te brengen, te meer nu dat ten koste zal gaan van het aan de legitimarissen en legatarissen uit te keren bedrag. De vordering zal derhalve worden afgewezen.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over de berekening en het opeisen van de legitieme of over informatieverstrekking over een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.