Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 10 juli 2018 uitspraak gedaan over een beroep op de legitieme bij een ouderlijke boedelverdeling. Was sprake van een gift? Inkorting?

De moeder (hierna erflaatster) was gehuwd met vader. De vader is overleden op 22 september 2000. Bij testament van 18 maart 1983 heeft hij zijn echtgenote (erflaatster) benoemd tot zijn enige erfgename.

De zoon – enig kind uit het huwelijk van erflaatster met vader – heeft zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader opgeëist.

De nalatenschap van erflater is open gevallen voor de inwerkingtreding van het “nieuwe” erfrecht op 1 januari 2003.

Door het beroep op zijn legitieme portie was de zoon onder het oude recht derhalve erfgenaam geworden (voor een/vierde gedeelte ) en voor die situatie had erflater een zogeheten ouderlijke boedelverdeling gemaakt op grond waarvan de zoon een vordering heeft gekregen op erflaatster ter grootte van zijn legitieme portie, te weten € 14.810,-. Erflaatster had het testamentaire recht van vruchtgebruik van die vordering.

Appellanten stellen dat van de contante opnames ten bedrage van € 50.000,- in de periode van 10 maart 2006 tot en met december 2007 een bedrag van € 20.000,- moet worden aangemerkt als een gift van erflaatster aan dochter.

Zij verwijzen naar de verklaring van dochter ter zitting in eerste aanleg en stellen in dat kader dat de dochter verklaard heeft dat zij 40 procent van de gepinde bedragen voor zichzelf heeft gehouden.

Dit bedrag moet bij de legitimaire massa worden opgeteld. Door de voor inkorting vatbare giften aan dochter, is zij gehouden een bedrag van € 6.202,30 aan appellanten uit te keren.

Dochter weerspreekt dat er sprake is geweest van een gift: zij stelt dat zij op verzoek van erflaatster geld heeft gepind en dat zij dit geld aan haar moeder gaf. Voor zover bedragen aan haar ten goede zijn gekomen – zoals zij na aandringen van de kantonrechter heeft verklaard – betroffen dit gelden die zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten met erflaatster. Het is besteed voor een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag.

Ouderlijke boedelverdeling. Beroep op legitieme. Gift? Inkorting?

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan appellanten aanvoeren heeft de dochter ter comparitie in eerste aanleg niet verklaard dat zij gelden voor zichzelf heeft gehouden maar heeft zij verklaard dat er gelden door erflaatster aan haar zijn besteed.

Dochter heeft toegelicht dat zij geld pinde voor haar moeder en dit aan haar gaf. Zij stelt dat deze gelden, voor zover deze ten behoeve van haarzelf zijn besteed, altijd zijn besteed aan de kosten van gezamenlijke activiteiten met erflaatster. Deze bestedingen hadden een gezamenlijk doel, te weten een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag. Aldus was zij in staat met haar moeder gezamenlijke activiteiten te ondernemen en voor haar verzorging zorg te dragen.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat niet vaststaat dat ten aanzien van dochter sprake is geweest van giften van geld door erflaatster.

Als niet weersproken staat vast dat de dochter zich de zorg voor erflaatster heeft aangetrokken en dat gelden zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten.

De gelden die aan dochter ten goede zijn gekomen, zouden slechts als gift kunnen worden aangemerkt als bij erflaatster steeds sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling; dit is echter door appellanten niet onderbouwd.

Het hof is van oordeel dat het primaire doel was dat erflaatster het genot van haar geld kon hebben op de wijze die haar voor ogen stond, waarbij de dochter dat mogelijk kon maken door deel te nemen aan gezamenlijk activiteiten. In wezen bevoordeelde erflaatster zichzelf.

Het vermogen van dochter is ook niet verrijkt door deze bestedingen.

Het bewijsaanbod van appellanten dat sprake is van giften beantwoordt niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, zodat dit wordt gepasseerd. De grief wordt verworpen.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.

Vast staat dat enerzijds sprake is van een schuld, te weten de vordering van de zoon op de nalatenschap van erflaatster ter zake zijn legitieme portie in de nalatenschap van de vader; anderzijds blijven de op de voet van artikel 4:67 BW in aanmerking te nemen giften beperkt tot het bedrag van € 13.419,- voor de aankoop van de Suzuki Swift.

Dochter kan zich er weliswaar niet in vinden dat de auto als schenking wordt aangemerkt, maar heeft geen incidenteel appel ingesteld.

De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat de legitimaire massa negatief is. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en de vorderingen van de zoon, zoals deze in hoger beroep zijn geformuleerd, moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over een gift of een schenking of over inkorting, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.