Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Limburg heeft op 30 mei 2018 uitspraak gedaan over een vordering op grond van artikel 843a Rv ten aanzien van notarieel dossier inzake testament en de geheimhoudingsplicht van een notaris.

De moeder van eisers is in 2015 overleden.

Op 2 november 2015 (twee weken vóór haar overlijden) heeft de notaris voor erflaatster een uiterste wilsbeschikking opgesteld, waarmee drie van de zeven kinderen alsmede hun afstammelingen, door erflaatster zijn onterfd.

De onterfde kinderen zijn thans legitimarissen. Deze kinderen hebben inmiddels aanspraak gemaakt op hun legitieme portie.

De legitimarissen hebben het vermoeden dat erflaatster ten tijde van het opstellen van voornoemde uiterste wilsbeschikking op 2 november 2015 niet meer in staat was om haar wil te bepalen.

Legitieme. Wilsonbekwaamheid erflater? Inzage notarieel dossier? Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht notaris?

De rechter oordeelt als volgt.

Kern van het geschil is de vraag of de notaris gehouden is een afschrift van dan wel inzage te verstrekken in het volledige dossier van erflaatster.

De legitimarissen hebben hun vordering gebaseerd op het bepaalde in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) en daaraan ten grondslag gelegd dat zij de informatie uit het dossier nodig hebben om hun vorderingen wegens aansprakelijkheid jegens de notaris en jegens hun zussen te kunnen onderbouwen.

Het meest verstrekkende verweer van de notaris is dat hij op grond van het derde lid van artikel 843a Rv niet gehouden is om aan deze vordering te voldoen omdat hij uit hoofde van zijn ambt als notaris tot geheimhouding is verplicht.

De rechter is van oordeel dat dit verweer slaagt en dat de vordering derhalve dient te worden afgewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.

In artikel 843a lid 3 Rv is bepaald:

“Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.”

Daaruit volgt dat professionele geheimhouders niet behoeven mee te werken aan het verschaffen van afschrift, uittreksel of inzage van stukken. Het betreft dan degenen die een beroep kunnen doen op het verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 onderdeel b Rv.

Uit de jurisprudentie (zie onder meer Hoge Raad, 1 maart 1985, NJ 1986, 173 en rechtbank Rotterdam, 8 juli 2015, RBROT:2015:5643) volgt het navolgende.

Een notaris heeft op grond van het bepaalde in artikel 22 van de Wet op het notarisambt een geheimhoudingsplicht en heeft op grond van artikel 165 lid 2 Rv een functioneel verschoningsrecht.

De grondslag voor dit verschoningsrecht moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Mogelijk ten overvloede overweegt de rechter dat het verschoningsrecht van de notaris zich uitstrekt tot datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig, dat wil zeggen als notaris, is toevertrouwd en dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, ook als hem toevertrouwd heeft te gelden.

Een algemeen onderscheid tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens kan niet gemaakt worden: dat zou miskennen dat het verschoningsrecht ten doel heeft cliënten en andere belanghebbenden zekerheid te geven dat zij vrijelijk met de notaris kunnen spreken. Die zekerheid zou door het maken van zulk een onderscheid op onaanvaardbare wijze worden aangetast.

Het verschoningsrecht van de notaris is niet volstrekt absoluut; er laten zich – zij het zeer uitzonderlijke – omstandigheden denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de notaris als zodanig is toevertrouwd, moet prevaleren boven het verschoningsrecht, maar een ruimere beoordelingsmarge en een meer genuanceerde afweging van de met een concreet geval gemoeide belangen dan hier bedoeld, leidt tot een zodanige onzekerheid omtrent de reikwijdte van het verschoningsrecht dat dat daardoor op onaanvaardbare wijze zou worden aangetast.

Gezien de vorenstaande, uit de rechtspraak voortvloeiende norm is afgifte of inzage van een dossier van een notaris – kort gezegd – slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk.

Dat met de afgifte aan dan wel de inzage door de legitimarissen van het dossier van de notaris een maatschappelijk belang gediend is dat zwaarder weegt dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en zo ja, waarin dit maatschappelijke (lees: niet het persoonlijke, alleen de betrokken partijen betreffende) belang in dit concrete geval is gelegen, is naar het oordeel van de rechter niet gebleken of inzichtelijk gemaakt. Reeds om die reden dient het door de legitimarissen gevorderde afgewezen te worden.

Daar komt in het onderhavige geval het volgende bij. De legitimarissen hebben gesteld dat niet alleen voor de waarheidsvinding (staat in het testament wat erflaatster daadwerkelijk heeft gewild?) afgifte van dan wel inzage in het dossier wordt gevorderd, maar ook omdat zij van mening zijn dat (i) erflaatster op het moment van het opmaken van het testament niet in staat was om haar wil te bepalen (in welk geval de vernietiging van het testament kan worden ingeroepen) en (ii) de notaris een beroepsfout heeft gemaakt door a) het testament op te stellen terwijl hij wist dan wel behoorde te weten dat erflaatster niet in staat was haar wil te bepalen en/of b) de notaris ten onrechte het stappenplan ter controle van de geestesgesteldheid van erflaatster (en de mogelijkheid dat erflaatster onder invloed stond van een van haar kinderen) niet heeft gevolgd.

De legitimarissen hebben ter comparitie aangevoerd dat de notaris gezien het vorenstaande een dubbel belang heeft bij zijn beroep op de geheimhoudingsplicht.

Ook deze stellingen leiden niet tot toewijzing van de gevorderde afgifte van dan wel inzage in het dossier op grond van artikel 843a Rv.

Dat de feiten en omstandigheden, die noodzakelijk zijn ter onderbouwing van vorenbedoelde stellingen van de legitimarissen, te vinden zouden zijn in het door de legitimarissen van de notaris gevorderde dossier en zo ja, in welke stukken, kan uit hetgeen door de legitimarissen is aangevoerd niet worden afgeleid.

De vraag (i) of erflaatster al dan niet in staat was haar wil te bepalen, zal naar het oordeel van de rechter slechts door een medicus kunnen worden beantwoord.

Zeker bezien in het licht van het navolgende is gesteld noch gebleken dat en op basis van welke gegevens uit het dossier van de notaris zulks vastgesteld zou kunnen worden.

De notaris heeft verder uitdrukkelijk verklaard (ii a) dat er voor hem, noch voor de kandidaat-notaris die het concepttestament heeft opgesteld en daarover evenals de notaris zelf met erflaatster heeft gesproken, geen aanwijzingen waren dat erflaatster niet in staat was haar wil te bepalen.

Dat de notaris (ii b) het stappenplan niet heeft gevolgd staat in rechte reeds vast; de notaris heeft zulks immers in de onderhavige procedure uitdrukkelijk erkend en heeft toegelicht dat daar in de omstandigheden ten tijde van de totstandkoming van het (concept)testament geen aanleiding toe was.

Op grond van het vorenstaande is de rechter van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 843a Rv (te weten een gerechtvaardigd belang op inzage van bepaalde bescheiden) en dat het gevorderde ook om die reden afgewezen dient te worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over een testament, de rol van een notaris bij het opstellen van een testament, over de wilsonbekwaamheid van de erflater, over de nietigheid van een testament of over de geheimhoudingsplicht van een notaris, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.