Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 10 juli 2018 uitspraak gedaan over de omvang van de legitieme vordering bij een gestelde vrijwaring. Was verrekening met de vordering uit de legitieme mogelijk?

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.

In de grieven betoogt legitimaris dat de rechtbank de legitimaire massa op twee onderdelen onjuist heeft vastgesteld.

Legitieme. Omvang legitimaire massa. Vrijwaring? Verrekening?

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens erfgenaam had erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering van € 126.385,- inclusief rente op de legitimaris, vanwege door erflater ten behoeve van de legitimaris gedane betalingen aan derden.

Bij de vaststelling van de legitimaire massa dient met dit bedrag nog rekening te worden gehouden. In zijn memorie van antwoord stelt erfgenaam dat hij persisteert dat het bedrag van € 126.385,- in mindering moet worden gebracht op de legitimaire massa omdat dit bedrag ten behoeve van de legitimaris door erflater is betaald.

De advocaat van de legitimaris verweert zich tegen de stellingen van de erfgenaam als volgt:

De door de erfgenaam gestelde vordering van erflater ziet op schulden van de tot 2006 door partijen gezamenlijk gedreven vennootschap onder firma (hierna: de vof), die daarna door de erfgenaam als eenmanszaak is voortgezet. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de erfgenaam op basis van de door partijen gemaakte afspraken over de afwikkeling van de vof, gehouden is de legitimaris te vrijwaren van alle vennootschapsschulden. Erflater had ter zake derhalve geen vordering op geïntimeerde.

De legitimaris heeft geen belang bij zijn grief omdat indien de legitimaire massa wordt verhoogd met voormeld bedrag van de vordering, de legitimaire aanspraak van geïntimeerde ook hoger wordt.

De legitimaris stelt zich in incidenteel appel op het standpunt dat de door de rechtbank berekende legitimaire massa van € 655.187,66 nog moet worden verhoogd met het bedrag van € 126.385,-. Dit omdat erflater door het betalen van die vennootschapsschulden een vordering heeft gekregen op de vof als van de vennoten, voor welke vordering de erfgenaam de legitimaris diende te vrijwaren op grond van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2015. De legitimaris berekent zijn legitieme portie aldus op € 390.786,33.

De rechter begrijpt uit de memorie van grieven in samenhang bezien met de memorie van antwoord dat de grief van de erfgenaam zich beperkt tot de door hem gestelde vordering van erflater op de legitimaris van € 126.385,-.

De rechter stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen overeenstemming is dat ten tijde van zijn overlijden tot het vermogen van erflater behoorde een vordering van € 126.385,- vanwege door erflater ten behoeve van de legitimaris betaalde schulden.

Volgens de erfgenaam betreft dit een vordering op de legitimaris, volgens de legitimaris een vordering op de vennoten van de vennootschap, waarvoor erfgenaam hem op grond van het vonnis van 22 juli 2015 dient te vrijwaren.

De rechter is van oordeel dat voormelde geldvordering van erflater deel uitmaakt van de goederen van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:65 BW en derhalve alsnog bij de waarde van die goederen van de nalatenschap moet worden opgeteld.

De rechter overweegt voorts dat het procesdossier onvoldoende relevante gegevens bevat om te kunnen vaststellen of de vordering betrekking heeft op schulden van de legitimaris verband houdende met de vof of op andere schulden van de legitimaris en wie deze schulden moet dragen.

Daar komt bij dat partijen hieromtrent wisselende stellingen innemen. De legitimaris heeft in eerste aanleg nog betwist dat erflater schulden van de vof voor zijn rekening zou hebben genomen. Dit terwijl de erfgenaam in zijn toelichting op de grief melding maakt van een bedrag van ruim € 100.000,- dat erflater ten behoeve van de toenmalige vof en de belastingschuld van beide vennoten zou hebben betaald.

De rechter begrijpt uit de stellingname van de erfgenaam in zijn memorie van antwoord dat hij een beroep op verrekening doet, in die zin dat de door hem gestelde schuld van de legitimaris aan erflater ad € 126.385,- op de legitieme portie van de legitimaris in mindering moet worden gebracht.

Dat erflater een vordering op de legitimaris had, staat echter blijkens het door partijen gevoerde debat in het geheel niet vast voor het hof, zodat voor het toepassen van verrekening geen plaats is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme en de berekening van de legitieme, over de mogelijkheden van verrekening in het erfrecht of over vrijwaring, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.