Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2018 uitspraak gedaan over de vraag of de legitieme portie in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM, afzonderlijk en in samenhang met artikel 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol EVRM.

De erfgenaam heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de regeling van de legitieme portie van de artikelen 4:63 lid 1 en 4:64 lid 1 BW buiten toepassing wordt verklaard wegens schending van artikel 1 Eerste protocol behorend bij het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: Eerste Protocol EVRM), afzonderlijk en in samenhang met artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (hierna: Twaalfde Protocol EVRM) aangezien [geïntimeerde] geen behoefte heeft aan een legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster om een normaal family life te kunnen leiden in de zin van artikel 8 EVRM.

Legitieme. Schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM, afzonderlijk en in samenhang met artikel 14 EVRM en artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de regeling van de legitieme portie in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM heeft de legataris in de grief het volgende aangevoerd:

De minister heeft in 1998 als rechtvaardiging voor de inbreuk op het eigendomsrecht aangevoerd: het bevorderen van voldoende verzorging voor de kinderen van de erflater. De overige in de parlementaire behandeling genoemde grondslagen zijn door wetenschappers en politici genoemd in een periode waarin men zich niet of onvoldoende realiseerde dat de legitieme portie een inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol EVRM vormt en dat daarvoor een rechtvaardiging moet bestaan. Nu de minister niet andere belangen heeft aangevoerd staat het de rechtbank niet vrij ook andere belangen die in de loop van de parlementaire behandeling aan de orde zijn gekomen, als algemeen belang aan te merken.

Indien de door de rechtbank genoemde belangen wel mogen worden meegewogen dient beoordeeld te worden of het beoogde doel ook op een andere wijze kan worden gerealiseerd, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht.

Het doel van de wetgever wordt niet gerealiseerd doordat niet-behoeftige legitimarissen toch een aanspraak op de legitieme portie is toegekend, terwijl de testeervrijheid van erflaatster is beperkt.

Daarmee is toepassing van de regeling van de legitieme portie evident onredelijk jegens erflaatster en daarmee jegens de erfgenaam.

De conclusie van de rechtbank dat de regeling van de legitieme portie niet evident onredelijk is, is voorts onbegrijpelijk omdat de rechtbank geen overweging heeft gewijd aan hetgeen volgens de stellingen van de erfgenaam volgt uit het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak Marckx van 13 juni 1979, Publications of the European Court of Human Rights, Series A, vol. 31, par. 63 (hierna: het Marckx-arrest).

Tenslotte is volgens de erfgenaam de wetgeving niet consistent, omdat in het ene geval een behoeftige legitimaris de aanspraak op de legitieme portie wordt onthouden door voorrang te geven aan de mogelijk niet-behoeftige echtgenoot/partner, en in het andere geval de niet-behoeftige legitimaris een beroep op de legitieme portie wordt toegekend.

Het recht om over zijn eigendom te beschikken is een wezenlijk onderdeel van het recht op eigendom dat door artikel 1 Eerste Protocol EVRM wordt gegarandeerd. De wetgever, die in Nederland wordt gevormd door de Staten-Generaal en de regering tezamen, is bevoegd om in overeenstemming met het algemeen belang regelingen te treffen voor het gebruik van eigendom.

Uit HR 16 november 2001, RVS: 2001:BH5217 volgt dat een onder lid 2 van artikel 1 Eerste Protocol EVRM vallende inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan wanneer een fair balance is getroffen tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds.

Dit vereist het bestaan van een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd.

In de afweging zullen in beginsel alle doelstellingen van de maatregel moeten worden betrokken.

Wel zal de rechter nevendoelstellingen buiten beschouwing kunnen laten, wanneer hij van oordeel is dat reeds op grond van de hoofddoelstelling aan het fair balance vereiste is voldaan.

Aan het vereiste van een redelijke mate van evenredigheid is niet voldaan, indien sprake is van een individuele en buitensporige last voor de betrokken persoon.

Bij de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.

Dat het gestelde doel ook met een lichter middel kan worden bereikt, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de inbreuk niet gerechtvaardigd is. De aanwezigheid van alternatieven kan worden meegewogen bij de proportionaliteitstoets.

De regeling van de legitieme portie maakt een inbreuk op het recht van een erflater om bij testament over zijn nalatenschap te beschikken.

Uit de door de rechtbank weergegeven citaten van hetgeen de minister in de memorie van antwoord (vergaderjaar 1992-1993) en in de nota naar aanleiding van het eindverslag (vergaderjaar 1996-1997) heeft meegedeeld, blijken de volgende grondslagen voor de handhaving van de legitieme portie:

-de rechtsovertuiging dat aan kinderen een deel van de nalatenschap van hun ouders toekomt;

-de preventieve werking van de regeling van de legitieme portie, omdat daardoor veel familiemoeilijkheden worden voorkomen;

-de bescherming van kinderen tegen bevoordeling van een willekeurige derde, maar ook van het ene kind boven het andere, reden waarom de wetgever de ongewenste gevolgen van het subjectieve oordeel van de erflater, dat soms sterk beïnvloed kan worden door emoties van tijdelijke aard, tot op zekere hoogte behoort te beperken door het handhaven van een aanspraak van de kinderen op een breukdeel van de waarde van de goederen der nalatenschap;

-het voorkomen dat door afschaffing van de legitieme portie de gevallen toenemen waarin het testament wordt aangetast op grond van het ontbreken van verstandelijke vermogens of wegens wilsgebreken;

-de bescherming van oudere kwetsbare personen doordat de legitieme portie aan de mogelijkheden van beïnvloeding door een derde ten behoeve van zichzelf een grens stelt:

-het bevorderen van een gelijke behandeling van de eigen kinderen;

-(voor een deel) bescherming van de gemeenschap, om te voorkomen dat een kind dat is onterfd omdat het een nietsnut is en op andermans zak leeft, van gemeenschapsgelden leeft.

Het hof volgt de erfgenaam dan ook niet in zijn standpunt dat de minister in de loop van de parlementaire behandeling geen andere belangen heeft genoemd dan het door de erfgenaam gestelde enkele belang van de bevordering van voldoende verzorging van de kinderen van de erflater.

Daarbij merkt het hof op dat, ook indien bovengenoemde belangen van de zijde van leden van de Staten-Generaal naar voren zouden zijn gebracht, niet gezegd kan worden dat deze niet door de wetgever als algemeen belang zijn aangemerkt, zoals de erfgenaam lijkt te betogen.

De stelling van de erfgenaam dat de bovenvermelde grondslagen zijn genoemd in een periode waarin men zich niet of onvoldoende realiseerde dat de legitieme portie een inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol EVRM vormt en dat daarvoor een rechtvaardiging moet bestaan, treft evenmin doel.

Het hof verwijst naar de door de rechtbank geciteerde tekst uit de memorie van antwoord van de invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte, Tweede Kamer vergaderjaar 1992-1993, 17141, nummer 12, pagina 43, waarin de minister op een daartoe strekkende vraag van de commissie heeft meegedeeld dat niet aannemelijk is dat het toekennen van een legitieme portie in strijd is met (de strekking van) artikel 1 Eerste Protocol.

De minister heeft daarbij verwezen naar het Marckx-arrest en heeft er op gewezen dat het bestaan van het instituut van de legitieme portie in het rechtsstelsel van de ons omringende landen, lidstaten van de Raad van Europa, een van oudsher gebruikelijke rechtsfiguur is.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de minister in de loop van de parlementaire behandeling geen andere belangen heeft genoemd dan het belang van verzorging van de kinderen van de erflater, beroept de erfgenaam zich op het antwoord van de minister (Kamerstukken I 1998-1999, 17141, nr. 120a, bladzijde 6) op de vraag van de Bijzondere commissie voor de herziening van het BW (Kamerstukken I 1998-1999, 17141, nr. 120, bladzijde 2) of de toekenning van de wettelijke verzorgingsrechten van de langstlevende niet een veel te ver gaande inbreuk vormen op de testeervrijheid van de erflater en of niet geconcludeerd moet worden dat een zo ver gaande inbreuk gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang, welk antwoord luidt:

“In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer is, onder verwijzing naar het Marckx-arrest, reeds beargumenteerd dat de regeling van de legitieme portie – die naar huidig recht het ter vrije beschikking van de erflater staande deel van de nalatenschap kan beperken tot ¼ van de nalatenschap – niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol (kamerstukken II 1992/93, 17141, nr. 12, bladzijde 43). Het bevorderen van een voldoende verzorging voor de echtgenoot of kinderen van de erflater is stellig een belang dat binnen deze “margin of appreciation” valt.”

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is uit de enkele opmerking van de minister dat “het bevorderen van een voldoende verzorging voor de echtgenoot of kinderen” een belang is dat binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever past, niet af te leiden dat het belang om te voorzien in de verzorging van de kinderen van de erflater als grondslag voor de regeling van de legitieme portie heeft te gelden.

In ieder geval kan niet op grond daarvan worden geconcludeerd dat dit belang de enige grondslag of hoofdgrondslag vormt. Niet alleen heeft het antwoord van de minister betrekking op de vraag naar een mogelijke inbreuk door de wettelijke verzorgingsrechten van de langstlevende, en dus niet op een vraag naar een mogelijke inbreuk door de regeling van de legitieme portie, deze opmerking van de minister doet niet af aan de eerder gegeven opsomming van grondslagen voor handhaving van de legitieme portie.

Uit de hiervoor genoemde gronden voor het handhaven van de regeling van de legitieme portie blijkt dat daarmee met name is beoogd recht te doen aan maatschappelijke opvattingen volgens welke – samengevat – het gezin bescherming behoeft, de kinderen zoveel mogelijk gelijk worden behandeld, de kinderen worden beschermd tegen bevoordeling van derden, de erflater wordt beschermd tegen (onder meer) beïnvloeding door derden en een onterfde “nietsnut” niet hoeft terug te vallen op algemene middelen. Aldus strekt de regeling van de legitieme portie ertoe het algemeen belang te dienen.

De doelstellingen van de legitieme portie dienen als zwaarwegend te worden aangemerkt. Met het oog daarop heeft de wetgever de inbreuk nodig geacht.

Met de invoering van het huidige boek 4 BW op 1 januari 2003, waarvan de artikelen 4:63 en 4:64 deel uitmaken, is de legitieme portie beperkt in die zin dat deze nog slechts bestaat uit een vordering in geld op het vermogen van de erflater en het breukdeel waarop een legitimaris recht heeft aanmerkelijk is verkleind.

In het onderhavige geval brengt de inbreuk met zich dat erflaatster zonder enige beperking heeft kunnen beschikken over de bestanddelen van haar vermogen, maar legataris na het inroepen van de legitieme een vordering in geld heeft op de erfgenaam (appellant), die is beperkt tot ¼ van de waarde van het vermogen van de nalatenschap.

Het komt het hof voorts niet ongerechtvaardigd voor het realiseren van de door de wetgever beoogde doelstellingen, die zijn gericht op de bescherming van het gezin, de kinderen, de erflater zelf en de samenleving, ten laste te brengen van een ouder/erflater.

Niet gezegd kan daarom worden dat de beperking van erflaatster om bij testament over haar vermogen te beschikken een buitensporige last voor erflaatster inhoudt.

Er is sprake van een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. De inbreuk op het eigendomsrecht van erflaatster is derhalve gerechtvaardigd.

Het hof deelt daarom niet de mening van de erfgenaam dat toepassing van de legitieme portie evident onredelijk is jegens erflaatster en hemzelf (naar het hof begrijpt:) als opvolger onder algemene titel.

De erfgenaam heeft aangevoerd dat uit het Marckx-arrest volgt dat de rechtvaardiging voor de beperking van de testeervrijheid niet bestaat indien het belang van het gezinsleven niet (verder) gewaarborgd hoeft te worden door het toekennen van de legitieme portie.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bescherming van het gezin tot een van de hoofddoelstellingen van de legitieme portie behoort, zodat deze stelling van de erfgenaam geen doel kan treffen.

De erfgenaam heeft aan de hand van een aantal mogelijkheden betoogd dat het met de legitieme portie beoogde doel ook op een andere wijze kan worden gerealiseerd, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De bepaling dat kinderen ieder een gelijk deel erven ziet op de situatie waarin de erflater geen testament heeft opgemaakt, terwijl de legitieme portie voorziet in een aanspraak van een kind in het geval dat de erflater juist wel een testament heeft gemaakt en daarin dat kind (deels) heeft onterfd.

Niet geoordeeld kan daarom worden dat het bevorderen van een gelijke behandeling van de kinderen, evenals de wens van de meeste ouders iets aan hun kinderen na te laten, in dat laatste geval reeds wordt gediend door de bepaling dat kinderen ieder een gelijk deel erven.

Met zijn stelling dat op aantasting van het testament gerichte procedures kunnen worden voorkomen door toetsing van de wilsbekwaamheid van een erflater door de notaris of door een arts voordat het testament wordt opgesteld, alsmede de aanwezigheid van getuigen voor het verlijden van het testament, ziet de erfgenaam eraan voorbij dat de minister deze doelstelling niet heeft beperkt tot een aantasting van het testament op grond van het ontbreken van verstandelijke vermogens.

Daarbij komt dat de door de erfgenaam genoemde alternatieven telkens slechts zien op een of enkele individuele grondslagen voor de legitieme portie. De aanwezigheid van een of meer alternatieven waarmee alle met de legitieme portie beoogde doelstellingen kunnen worden gerealiseerd is gesteld noch gebleken.

Volgens de erfgenaam is de wetgeving niet consistent omdat in het ene geval een behoeftige legitimaris de aanspraak op de legitieme portie wordt onthouden door voorrang te geven aan de mogelijk niet-behoeftige echtgenoot/partner, en in het andere geval de niet-behoeftige legitimaris een beroep op de legitieme portie wordt toegekend.

Bij zijn onderbouwing van deze stelling heeft de erfgenaam de hiervoor vastgestelde (hoofd)doelstellingen van de legitieme portie buiten beschouwing gelaten.

Indien ervan moet worden uitgegaan dat de (financiële) verzorging van de kinderen tot de doelstellingen van de legitieme portie behoort, geldt het volgende.

Bij de invoering van het huidige boek 4 BW heeft de wetgever in artikel 4:13 BW ervoor gekozen om, teneinde de langstlevende echtgenoot verzorgd achter te laten en het bestaande leefpatroon te kunnen laten voortzetten, de langstlevende echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap te doen verkrijgen en de rechtsvordering van de kinderen op de langstlevende echtgenoot slechts in een beperkt aantal gevallen, waaronder overlijden van die echtgenoot, opeisbaar te doen zijn.

In artikel 4:82 BW is voorts bepaald dat een erflater ten behoeve van de langstlevende aan het testament de voorwaarde kan verbinden dat de vordering van een legitimaris eerst opeisbaar is na diens overlijden.

Langs deze weg heeft de wetgever de doelstelling van verzorging van de langstlevende voorrang gegeven boven de doelstellingen van de regeling van de legitieme portie.

De regeling van de wettelijke verdeling is niet gekoppeld aan het daadwerkelijke bestaan van een verzorgingsbehoefte, de vordering van de kinderen uit hoofde van de wettelijke verdeling en de vordering van de kinderen uit hoofde van de legitieme portie evenmin. Het hof deelt dan ook niet de mening van de erfgenaam dat de wetgeving inconsistent is.

In de grief verwijst de erfgenaam naar zijn in eerste aanleg gedane beroep op het arrest van het EHRM van 6 april 2000, appl. nr. 34369/97 in de zaak Thlimmenos.

Volgens de erfgenaam is sprake van een ontoelaatbare gelijke behandeling van ongelijke gevallen, waarvoor geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

Daartoe heeft hij aangevoerd dat de legataris, die als vermogende dochter met geen althans een negatieve band met erflaatster reeds in staat is een normaal gezinsleven te leiden, een gelijk recht, namelijk de legitieme portie, krijgt als niet-vermogende kinderen die wel een band met hun ouders hebben en additioneel vermogen in de vorm van een legitieme portie nodig hebben om een normaal gezinsleven te kunnen leiden.

Omdat de rechtvaardiging voor de inbreuk op de testeervrijheid moet worden gevonden in het bevorderen van de verzorging van afstammelingen en de wetgever geen correctie heeft gemaakt voor gevallen waarin een legitimaris niet behoeftig is, worden erflaatster en dus de erfgenaam als haar erfopvolger onder algemene titel gelijk behandeld als erflaters met afstammelingen die wel een verzorgingsbehoefte hebben.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door de artikelen 14 EVRM en artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM verboden discriminatie, moet worden vooropgesteld dat zij niet iedere discriminatie verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt.

Hiervoor heeft het hof de (hoofd)doelen voor het handhaven van de regeling van de legitieme portie vastgesteld en geoordeeld dat, nu aan het vereiste van een redelijke mate van evenredigheid tussen het algemene belang enerzijds en de bescherming van de beschikkingsvrijheid anderzijds is voldaan, de inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol EVRM gerechtvaardigd is.

Niet geoordeeld kan daarom worden dat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt voor de door de erfgenaam gestelde discriminatie, zodat de vraag of daadwerkelijk sprake is van discriminatie als bedoeld in vorengenoemde bepalingen buiten beschouwing kan blijven.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het erfrecht, over de verdeling van een nalatenschap, over de legitieme of over het kindsdeel of over de verzorgingsbehoefte in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3080150.