Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 8 september 2020 uitspraak gedaan over de vraag welke giften in aanmerking moesten worden genomen bij de berekening van de legitieme.

Appellant is het oneens met het oordeel van de rechtbank in eerste instantie dat ook de gift aan hem ten bedrage van € 5.275,- en de giften aan de dochters ten bedrage van € 2.100,- in aanmerking worden genomen bij de berekening van de legitieme portie van geïntimeerde en bij de inkorting.

Volgens de advocaat van appellant gaat het bij deze giften om gebruikelijke en niet-bovenmatige schenkingen.

 Legitieme. Welke giften moeten in aanmerking worden genomen bij de berekening van de legitieme portie? Inkorting. Gebruikelijke en niet-bovenmatige giften.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4:65 BW worden de legitieme porties in een nalatenschap berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden die zijn genoemd in artikel 4:7 lid 1 BW onder a tot en met c en f.

Welke giften bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking komen, en voor welke waarde, is geregeld in de artikelen 4:65 – 4:69 BW.

Ingevolge artikel 4:67 BW onder e geldt als hoofdregel dat in aanmerking worden genomen alle giften waarvan de prestatie binnen vijf jaar voor het overlijden van de erflater is geschied.

Op grond van artikel 4:67 BW onder d worden ook in aanmerking genomen giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is.

Volgens artikel 7:186 lid 2 BW is een gift iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt.

Uit de definitie van gift kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van een bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid) aan de zijde van de gever.

Of daarvan sprake is dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld.

Ingevolge het bepaald in artikel 4:69 lid BW onder b worden bij de bepaling van de omvang van de legitimaire massa gebruikelijke giften buiten beschouwing gelaten, voor zover zij niet bovenmatig waren.

Niet in geschil is dat de schenkingen aan appellant ten bedrage van € 50.000,-, € 20.000,- en € 25.000,- in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa en (eventuele) inkorting.

Niet in geschil is dat erflaatster in de desbetreffende periode een AOW-uitkering ontving met een aanvullend pensioen van het Spoorwegpensioenfonds.

Evenmin is in geschil dat zij op haar bankrekeningen financiële middelen voorhanden had die varieerden van ruim € 30.000,- per 1 januari 2010 tot ruim € 15.000,- per 1 januari 2014.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de banksaldi van erflaatster ten tijde van haar overlijden € 5.128,90 (de betaalrekening) en € 7.324,63 (de spaarrekening) bedroegen.

In het licht van deze gegevens moeten de voormelde giften aan appellant en de dochters tot de maximaal belastingvrije bedragen in de periode 2012 – 2015 als bovenmatig worden aangemerkt.

Deze giften dienen om die reden in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de legitieme portie van geïntimeerde en bij de inkorting.

Met betrekking tot de overboekingen overweegt het hof het volgende.

Appellant heeft betwist dat de hier bedoelde overboekingen giften waren. Hij stelt dat het gebruikelijk was dat hij voor vader en moeder, respectievelijk voor moeder uitgaven voorschoot en dat de kosten later door zijn ouders, respectievelijk door moeder, werden terugbetaald. Volgens appellant hebben de overboekingen hierop betrekking.

Gelet op deze betwisting van appellant kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de hier bedoelde overboekingen als giften moeten worden aangemerkt.

Geïntimeerde heeft echter uitdrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stellingen op dit punt.

Het hof zal hem in de gelegenheid stellen het aangeboden bewijs te leveren.

Hij dient te bewijzen dat de overboekingen moeten worden aangemerkt als giften aan appellant in de zin van artikel 7:186 lid 2 BW.

Met betrekking tot de betalingen overweegt het hof het volgende.

Een van de opgesomde betalingen betreft de betaling door erflaatster van de bruidsjapon van een dochter.

Niet valt in te zien dat die betaling als een gift aan appellant moet worden aangemerkt.

Geïntimeerde heeft dat ook niet toegelicht. Om die reden kan de stelling dat het hier om een gift aan appellant zou gaan, niet worden aanvaard.

Wat betreft het cadeau aan appellant en zijn vrouw ten bedrage van € 2.500,- in verband met hun huwelijk, is het hof van oordeel dat een cadeau van deze omvang van een ouder aan een zoon en schoondochter in verband met hun huwelijk niet als ongebruikelijk kan worden aangemerkt.

Het hof acht het bedrag ook niet bovenmatig, gelet op de financiële positie waarin moeder in 2013 verkeerde.

Appellant heeft weersproken dat de overige genoemde uitgaven als giften aan hem moeten worden aangemerkt. Volgens hem ging het om uitgaven ten behoeve van zijn ouders, respectievelijk ten behoeve van moeder.

Gelet op deze betwisting van appellant kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de hier bedoelde uitgaven als giften moeten worden aangemerkt.

Geïntimeerde heeft echter uitdrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stellingen op dit punt.

Het hof zal hem in de gelegenheid stellen het aangeboden bewijs te leveren.

Hij dient te bewijzen dat de betalingen, met uitzondering van de uitgaven voor de bruidsjurk van de dochter en het huwelijkscadeau, moeten worden aangemerkt als giften aan appellant in de zin van artikel 7:186 lid 2 BW.

Geïntimeerde stelt dat ook de huishoudelijke uitgaven als schenkingen aan appellant moeten worden aangemerkt.

Ter onderbouwing voert hij aan dat de omvang van de huishoudelijke uitgaven als ongebruikelijk voor vader en moeder moeten worden aangemerkt.

Het hof acht die onderbouwing ontoereikend, temeer nu vast staat dat geïntimeerde al tientallen jaren geen contact meer met zijn ouders had.

Dit betekent dat de hier bedoelde stelling van geïntimeerde niet kan worden aanvaard.

Aan bewijslevering op dit punt komt het hof niet toe.

De verdere beslissing omtrent de hier bedoelde geschilpunten wordt aangehouden tot ná de fase van bewijslevering.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.