Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 maart 2020 uitspraak gedaan het recht van de legitimaris op informatie over de vermogensbestanddelen van de nalatenschap ter berekening van de legitieme.

Appellante vermoedt dat erflater aan geïntimeerde diverse giften heeft gedaan, al dan niet met het vooruitzicht om appellante als legitimaris te benadelen.

Deze giften dienen bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking te worden genomen (artikel 4:67 sub a en/of d BW).

Appellante beroept zich voorts op artikel 4:78 BW en maakt aanspraak op inzage en afschrift van een aantal bescheiden om haar legitieme portie te kunnen berekenen.

Geïntimeerde heeft betwist dat de door appellante gestelde vermogensbestanddelen aanwezig zijn.

Er is ook geen vermogen overgeheveld naar geïntimeerde.

De notariële boedelbeschrijving biedt appellante voorts voldoende duidelijkheid voor het berekenen van haar legitieme portie.

De nalatenschap is negatief, dus de legitieme portie van appellante bedraagt nihil.

Appellante heeft niet onderbouwd of bewezen dat de boedelbeschrijving niet juist zou zijn.

Ook heeft ze nagelaten de executeur onder ede te laten verklaren, aldus de advocaat van geïntimeerde.

Geïntimeerde is van mening dat hij als executeur aan de informatieplicht op grond van artikel 4:78 BW heeft voldaan.

Van hem kan niet verwacht worden dat hij de financiële handel en wandel van erflater 10 tot15 jaar voor zijn overlijden nagaat.

Geïntimeerde heeft voldoende en met bewijsstukken onderbouwde duidelijkheid verschaft.

Appellante heeft die bewijsstukken ontvangen.

Daarmee kan zij haar legitieme portie, die zoals uit de boedelbeschrijving al blijkt nihil is, berekenen.

Geïntimeerde heeft aangevoerd dat hij niet exact kan nagaan wat er met de opbrengst van de verkoop van de onderneming van erflater is gebeurd.

De verkoop dateert van tenminste tien jaren voor het overlijden van erflater.

Vast staat dat erflater is vertrokken naar de Verenigde Staten, later naar Indonesië en nog weer later naar Thailand.

Legitieme. Recht van de legitimaris op informatie over vermogensbestanddelen van de nalatenschap. Giften.

De rechter oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de posten betreffende het onroerend goed in het buitenland en de aandelen in de vennootschappen heeft appellante tegenover de gemotiveerde betwisting van geïntimeerde vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat deze vermogensbestanddelen op het moment van overlijden van erflater nog aanwezig waren.

Van haar kan worden verwacht zelf navraag te doen bij het handelsregister en het kadaster, maar zij heeft niets overgelegd waaruit kan blijken van enig vermoeden dat deze bestanddelen er ten tijde van het overlijden van erflater (nog) waren.

Overigens heeft appellante zelf gesteld dat een woning in 2005 en de onderneming in 2002 is verkocht.

Het mag zo zijn dat hier opbrengsten voor in de plaats zijn gekomen, maar het is, zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, niet reëel om te verwachten dat deze dan ook nog in 2015 nog (geheel) aanwezig zijn.

Bovendien staat vast dat erflater bij zijn echtscheiding ook het huwelijkse vermogen heeft moeten afwikkelen.

Appellante heeft behalve de bescheiden die betrekking hebben op de schuld van erflater aan geïntimeerde, ad € 452.437,06, gevraagd om afgifte van kopieën van stukken waaruit de juistheid van de gehele boedelbeschrijving blijkt.

Appellante heeft als legitimaris belang bij informatie over de periode voor het overlijden van erflater, om haar legitimaire aanspraak te kunnen berekenen.

Onder de informatieplicht van artikel 4:78 BW valt ook het over leggen van bankafschriften over de periode voor het overlijden van erflater.

Appellante heeft gesteld dat zij vermoedt dat geïntimeerde meerdere schenkingen heeft ontvangen van erflater.

Gelet op artikel 4:67 BW dient geïntimeerde aan de rechter en aan appellante de volgende bescheiden in kopie over te leggen:

  1. een overzicht van alle schenkingen;
  2. de bankafschriften van de Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen van erflater vanaf vijf jaren voor het overlijden van erflater tot en met de datum van zijn overlijden;
  3. de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting, zowel Nederlandse als eventuele buitenlandse, van erflater over de jaren 2010 tot en met 2015;
  4. de successieaangifte en -aanslagen betreffende de nalatenschap van erflater;

Voorts ziet het hof aanleiding om geïntimeerde op te dragen de polisbladen en afschriften van de levensverzekeringen van erflater vanaf eind 2010 tot en met de overlijdensdatum van erflater over te leggen.

Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding voor het over leggen van bescheiden van oudere datum dan hiervoor vermeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.