De Rechtbank Rotterdam heeft op 13 mei 2020 uitspraak gedaan over het vaststellen van de legitieme bij onterving.

Moeder heeft dochter onterfd en zoon tot enig erfgenaam benoemd. Dochter maakt aanspraak op haar legitieme portie. Partijen verschillen van mening over de hoogte hiervan. De rechtbank stelt de legitieme portie van dochter vast.

Eiseres en gedaagde zijn de kinderen van erflaatster.

Erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt.

In dit testament heeft erflaatster gedaagde tot haar enige erfgenaam benoemd. Gedaagde is in dit testament tevens tot beheersexecuteur benoemd.

Eiseres heeft bij gedaagde aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

Legitieme. Onterving. Aanspraak op legitieme. Berekening en vaststelling van de legitieme. Waarde van woning. Giften. Morele verplichting?

De rechter oordeelt als volgt.

In deze zaak gaat het alleen nog om het vaststellen van de legitieme portie van eiseres.

Niet in geschil is dat het breukdeel van de legitieme voor eiseres ¼ is.

De legitieme portie is een gedeelte (in dit geval ¼) van de legitimaire massa.

De legitimaire massa bestaat uit de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke wordt vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (artikel 4:65 BW).

Hieronder zal beoordeeld worden wat de waarde is van de goederen van de nalatenschap, welke giften in aanmerking moeten worden genomen en met welke schulden rekening moet worden gehouden.

Waarde goederen van de nalatenschap

Tot de goederen van de nalatenschap behoren volgens partijen de woning van erflaatster, haar banksaldi, de waarde van de inboedel en de waarde van de auto.

Partijen zijn het erover eens, althans door gedaagde is niet meer betwist, dat eiseres haar geldleningen van erflaatster heeft afgelost, zodat deze geldleningen niet tot de goederen van de nalatenschap behoren en niet bij de berekening van de legitimaire massa moeten worden meegenomen.

Waarde van woning

Partijen zijn verdeeld over de waarde van de woning.

Volgens gedaagde is de woning € 237.500,- waard en volgens eiseres is de woning € 257.500,- waard.

Gedaagde heeft ter onderbouwing van de waarde van de woning verwezen naar het plan van aanpak van de verkoopmakelaar, terwijl eiseres heeft gewezen op de verkoopprijs van de woning in maart 2019.

De waarde van de woning moet worden bepaald per datum van het overlijden van erflaatster.

Het is niet mogelijk om precies vast te stellen wat de economische waarde van de woning op dat moment was.

De rechtbank is van oordeel dat aangesloten moet worden bij de verkoopprijs van de woning.

Door gedaagde is onvoldoende onderbouwd dat de waarde van de woning na het overlijden van erflaatster aanzienlijk is gestegen door investeringen in de woning en de veranderende markt, waardoor de verkoopprijs niet gebruikt kan worden voor het bepalen van de waarde van de woning.

De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals door gedaagde is betoogd – aan te sluiten bij de door de verkoopmakelaar vastgestelde waarde, omdat dit slechts een schatting van de verkoopmakelaar is en deze schatting niet met stukken is onderbouwd.

De waarde van de woning zal daarom worden vastgesteld op € 257.500,-.

Giften

Voorts zal moeten worden vastgesteld welke giften in aanmerking moeten worden genomen bij het berekenen van de legitimaire massa.

Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen de giften van erflaatster aan eiseres en de giften van erflaatster aan gedaagde.

Giften aan eiseres.

Volgens gedaagde heeft erflaatster afgerond € 20.000,- uitgegeven gedurende haar bezoeken aan eiseres en haar kinderen.

Dit bedrag is volgens gedaagde te kwalificeren als gift van erflaatster aan eiseres.

Eiseres heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij geen giften van erflaatster heeft ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat voor zover de door gedaagde gestelde bovenmatige uitgaven van erflaatster als zij op bezoek was bij eiseres al zijn te kwalificeren als giften en niet als voorgeschoten bedragen, dat deze giften zijn te kwalificeren als gebruikelijke niet bovenmatige giften als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder b BW.

Erflaatster verbleef immers in een periode van vijf jaar ook meerdere weken bij haar dochter.

Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat de door erflaatster op dat moment bestede bedragen bovenmatig hoog waren.

Dit betekent dat bij de berekening van de legitimaire massa geen rekening hoeft te worden gehouden met een gift van in totaal € 20.000,- aan eiseres.

Giften aan gedaagde.

Partijen zijn het er wel over eens dat bij de berekening van de legitimaire massa rekening moet worden gehouden met giften die erflaatster aan gedaagde gedaan heeft tijdens haar leven.

Partijen verschillen alleen van mening over de hoogte van het bedrag aan giften.

Gedaagde heeft zelf berekend dat hij een bedrag van € 87.227,- van erflaatster als gift heeft ontvangen.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat gedaagde daarnaast ook nog andere giften heeft ontvangen van erflaatster.

Dat zal hieronder worden beoordeeld.

Gedaagde heeft erkend naast het bedrag van € 87.227,- ook een bedrag van € 39.000,- van erflaatster te hebben ontvangen dat hij nodig had om zijn hypotheek mee af te lossen.

Volgens gedaagde hoeft deze gift niet bij de berekening van de legitimaire massa worden meegenomen, omdat dit een gift is als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW.

Eiseres heeft dit betwist.

De in artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW bedoelde giften betreffen giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater.

Ter bepaling van de morele verplichting tot onderhoud is bepalend de onderhoudsbehoefte van de begiftigde, de financiële capaciteit van de schenker en de relatie van de schenker en de begiftigde. Ook de mate van intensiteit van de morele verplichting speelt een rol.

Gedaagde heeft gesteld dat erflaatster betalingen heeft verricht op de hypotheek van gedaagde en zijn echtgenote, omdat de ING Bank anders zou overgaan tot executieveiling dan wel openbare verkoop van de woning van gedaagde en zijn gezin.

Gedaagde heeft echter niet nader onderbouwd waarom erflaatster moreel verplicht was om hem te onderhouden.

Erflaatster is weliswaar de moeder van gedaagde, maar dit betekent niet dat er ook een morele verplichting tot onderhoud bestond.

Gedaagde heeft zijn onderhoudsbehoefte niet nader onderbouwd en heeft evenmin onderbouwd dat de giften in overeenstemming waren met het inkomen en vermogen van erflaatster.

Dit betekent dat de gift van € 39.000,- niet valt onder artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW en dus wel bij de legitimaire massa moet worden opgeteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.