De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 17 april 2020 de vraag besproken of de overmaking door erflater van een geldsom aan een stichting een schenking was die bij de berekening van de legitieme wel of niet moest worden betrokken.

Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.

Tussen partijen is onbestreden dat het Nederlandse recht van toepassing is op de vererving van de nalatenschap van erflaatster en dat derhalve het Nederlandse recht de omvang van de legitieme portie bepaalt.

Ingevolge art. 4:65 BW wordt de legitieme portie berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften, en verminderd met de schulden.

Krachtens art. 4:67 BW worden bij de berekening van de legitieme portie de door de erflater gedane giften in aanmerking genomen, waaronder de giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld (art. 4:67, onder a, BW), en andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor het overlijden van de erflater is geschied (art. 4:67, onder e, BW).

Berekening legitimaire massa. Is de overmaking door erflater van een geldsom aan een stichting een schenking?

De Advocaat-Generaal concludeert als volgt.

In deze zaak gaat het om de vraag of het bedrag van € 3.126.532,- dat erflaatster in 2007 in de Stiftung (stichting) heeft ingebracht, moet worden gezien als een gift in de zin van art. 4:67, onder e, BW, die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen.

De oprichting van de Stiftung in 1994 en de inbreng door erflaatster van € 3.126.532,- in 2007 in de Stiftung (enkele maanden voor haar overlijden in mei 2008) zal in het kader van estate planning hebben plaatsgevonden.

Dat destijds is gekozen voor de oprichting van een Stiftung naar het recht van Liechtenstein, had vermoedelijk te maken met de omstandigheid dat voor een naar Nederlands recht opgerichte stichting het uitkeringsverbod van art. 2:285 lid 3 BW geldt.

Dit uitkeringsverbod vormt een barrière voor de oprichting van een familiestichting naar Nederlands recht.

Fiscaalrechtelijk werd vóór 1 januari 2010 in de gevallen als hier aan de orde de inbreng van vermogen in een entiteit (zoals een trust, een Stiftung, e.d.) beschouwd als een schenking en belast met schenkbelasting.

Met ingang van 1 januari 2010 is in de Successiewet 1956 een regeling ingevoerd voor de belastingheffing op Afgezonderd Particulier Vermogen (APV), waardoor de inbreng van vermogen in een entiteit niet meer belast is met schenkbelasting.

Het hof heeft geoordeeld dat betrokkene niet kan worden gevolgd in zijn redenering dat sprake zou zijn van een schenking aan de Stiftung.

Het hof is tot dit oordeel gekomen, omdat betrokkene niet met kracht van argumenten inzichtelijk heeft gemaakt waarom er geen onmiddellijk verband zou bestaan tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat zij aanvankelijk de exclusieve begunstigde van de Stiftung was en betrokkene en verweerder de exclusieve begunstigden na haar overlijden.

Met dit oordeel heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang waarom geen sprake is van een schenking en waarom een beroep op art. 4:67 BW niet zou slagen.

Het hof heeft immers de door partijen naar voren gebrachte argumenten niet weergegeven en evenmin overwogen in hoeverre die argumenten overeenkomen dan wel afwijken van hetgeen partijen in eerste aanleg hebben betoogd.

Zo is niet duidelijk of het hof aansluiting heeft gezocht bij de in eerste aanleg aangevoerde argumenten over de vereenzelviging tussen erflaatster en de Stiftung, waarbij de rechtbank zich kennelijk heeft aangesloten.

Ook is onduidelijk wat het hof heeft bedoeld met de passage dat geen onmiddellijk verband bestaat tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat erflaatster de ‘Erstbegünstigte’ van de Stiftung was en na haar overlijden, betrokkene en verweerder de ‘Nachbegünstigten’.

Ik meen dan ook dat de motiveringsklachten van onderdeel slagen.

Bij deze stand van zaken behoeven de rechtsklachten van dit onderdeel geen bespreking.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.