In deze zaak zijn er drie kinderen, A, B en C.. Erflater heeft aan A een onroerende zaak verkocht voor € 100.000,00. Erflater zou dit onroerend goed van A gaan huren. De inspecteur van de Belastingdienst/Oost heeft de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging door A van de voormelde onroerende zaak in afwijking van de aangifte bepaald op € 320.000,- en een naheffingsaanslag opgelegd.In een bezwaarprocedure is de waarde vastgesteld op € 230.000,00.

Wanneer erflater jaren later overlijdt zijn zijn drie kinderen erfgenaam voor gelijke delen. De omvang van de nalatenschap is negatief, er zijn schulden voor een totaalbedrag van circa € 14.000,00. Alledrie de kinderen hebben beneficiair aanvaard.

De twee kinderen die niet betrokken zijn geweest bij de verkoop van de woning, B en C, doen een beroep op hun legitieme portie en zij vorderen betaling van de legitieme portie van bijna € 50.000,00 door A.

Daar waar de rechtbank nog besloot dat in de verkoop van de onroeende zaak geen gift lag belsoten, oordeelt het Hof Arnhem op 3 april 2012 dat allerminst uitgesloten is dat de waarde in verhuurde staat van de onroerende zaken op het moment van de verkoop en levering aanmerkelijk hoger was dan € 100.000,-. In dat geval is er naar het oordeel van het hof in de geschetste omstandigheden sprake van vrijgevigheid.

Het hof ziet aanleiding een deskundige te benoemen om de waarde op 19 april 2007 van de onroerende zaken met inachtneming van de huurovereenkomsten te taxeren, maar zal eerst beoordelen of en in hoeverre er een vordering ontstaat van kinderen B en C op A.

Als in de verkoop en levering een gift is besloten, dient het hof te beoordelen of dat gevolgen heeft voor het beroep van B en C op hun legitieme portie in de nalatenschap van de erflater hebben gedaan.

Nu de nalatenschap – € 14.000,00 bedraagt ontstaat er pas een legitimaire aanspaak wanneer de gift aan A hoger was dan € 14.000,00.

Als er in de verkoop van het onroerend goed een gift besloten ligt die groter is dan € 14.000,00, krijgen B en C ter zake van hun legitieme portie een vordering op A in haar hoedanigheid van begiftigde en kunnen zij op grond van artikel 4:89 BW de gift die is gedaan aan A inkorten voor zover deze afbreuk doet aan hun legitieme portie. Inkorting van een gift dient op grond van artikel 4:90 lid 1 BW te geschieden door een verklaring aan de begiftigde. De brief van 15 januari 2009 (rechtsoverweging 2.7) is naar het oordeel van het hof aan te merken als een dergelijke verklaring.

Het Hof beveelt een deskundigenonderzoek ter vaststelling van de waarde van het onroerend goed op datum overdracht van de woning aan A.