Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een beroep op inkorting van giften bij het inroepen van de legitieme.

Anders dan de zoon en dochter (blijven) stellen is de nalatenschap van de vader afgewikkeld.

De zoon heeft een vordering op erflaatster ter zake zijn legitieme portie, welke vordering na haar overlijden opeisbaar is geworden.

Dit betreft een vordering op de nalatenschap, op de gezamenlijke erfgenamen.

Vast staat dat de nalatenschap slechts deze schuld omvat en geen activa.

De gezamenlijke erfgenamen zijn belast met de vereffening van de nalatenschap.

Voor zover de zoon en de dochter zich beroepen op inkorting van giften aan Dochter Twee teneinde uitkering van hun legitieme portie te bewerkstelligen, kan dit beroep slechts betrekking hebben op de legitieme portie uit hoofde van de nalatenschap van erflaatster, niet die van de vader.

Het testament van erflaatster heeft door het vooroverlijden van de vader geen werking meer, zodat erflaatster tot haar enige erfgenamen bij versterf heeft nagelaten appellanten en geïntimeerde.

Vast staat dat de nalatenschap van erflaatster negatief is, zodat er voor oneigenlijke inkorting en inkorting op makingen (art. 4:87 BW) geen plaats is.

Dit brengt met zich dat de vordering tot veroordeling van Dochter Twee tot betaling van het bedrag van € 14.810,- aan de zoon op die grond niet toewijsbaar.

Rest de vraag of er sprake is van in te korten giften.

Legitieme. Inkorting? Gift? Lening?

De rechter oordeelt als volgt.

Appellanten stellen dat van de contante opnames ten bedrage van € 50.000,- in de periode van 10 maart 2006 tot en met december 2007 een bedrag van € 20.000,- moet worden aangemerkt als een gift van erflaatster aan Dochter Twee.

Zij verwijzen naar de verklaring van Dochter Twee ter zitting in eerste aanleg en stellen in dat kader dat Dochter Twee verklaard heeft dat zij 40 procent van de gepinde bedragen voor zichzelf heeft gehouden.

Dit bedrag moet bij de legitimaire massa worden opgeteld. Door de voor inkorting vatbare giften aan Dochter Twee, is zij gehouden een bedrag van € 6.202,30 aan appellanten uit te keren.

Dochter Twee weerspreekt dat er sprake is geweest van een gift: zij stelt dat zij op verzoek van erflaatster geld heeft gepind en dat zij dit geld aan haar moeder gaf. Voor zover bedragen aan haar ten goede zijn gekomen – zoals zij na aandringen van de kantonrechter heeft verklaard – betroffen dit gelden die zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten met erflaatster. Het is besteed voor een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag.

Het hof overweegt als volgt. Anders dan appellanten aanvoeren heeft Dochter Twee ter comparitie in eerste aanleg niet verklaard dat zij gelden voor zichzelf heeft gehouden maar heeft zij verklaard dat er gelden door erflaatster aan haar zijn besteed.

Dochter Twee heeft toegelicht dat zij geld pinde voor haar moeder en dit aan haar gaf. Zij stelt dat deze gelden, voor zover deze ten behoeve van haarzelf zijn besteed, altijd zijn besteed aan de kosten van gezamenlijke activiteiten met erflaatster.

Deze bestedingen hadden een gezamenlijk doel, te weten een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag. Aldus was zij in staat met haar moeder gezamenlijke activiteiten te ondernemen en voor haar verzorging zorg te dragen.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat niet vaststaat dat ten aanzien van Dochter Twee sprake is geweest van giften van geld door erflaatster.

Als niet weersproken staat vast dat Dochter Twee zich de zorg voor erflaatster heeft aangetrokken en dat gelden zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten. De gelden die aan Dochter Twee ten goede zijn gekomen, zouden slechts als gift kunnen worden aangemerkt als bij erflaatster steeds sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling; dit is echter door appellanten niet onderbouwd.

Het hof is van oordeel dat het primaire doel was dat erflaatster het genot van haar geld kon hebben op de wijze die haar voor ogen stond, waarbij Dochter Twee dat mogelijk kon maken door deel te nemen aan gezamenlijk activiteiten. In wezen bevoordeelde erflaatster zichzelf.

Het vermogen van Dochter Twee is ook niet verrijkt door deze bestedingen.

Het bewijsaanbod van appellanten dat sprake is van giften beantwoordt niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, zodat dit wordt gepasseerd. De grief wordt verworpen.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.

Vast staat dat enerzijds sprake is van een schuld, te weten de vordering van de zoon op de nalatenschap van erflaatster ter zake zijn legitieme portie in de nalatenschap van de vader; anderzijds blijven de op de voet van artikel 4:67 BW in aanmerking te nemen giften beperkt tot het bedrag van € 13.419,- voor de aankoop van de Suzuki Swift.

Dochter Twee kan zich er weliswaar niet in vinden dat de auto als schenking wordt aangemerkt, maar heeft geen incidenteel appel ingesteld.

De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat de legitimaire massa negatief is.

Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en de vorderingen van de zoon en de dochter, zoals deze in hoger beroep zijn geformuleerd, moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de legitieme, over de inkorting bij giften of over de gedwongen verrekening van schulden in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.