Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de berekening van de legitieme. De legitimarissen stellen dat de waarde van de woning hoger was dan de koopsom en dat hierdoor sprake is van een gift.

Niet in geschil is dat G bij de (ver)koop van de woonboerderij, in ieder geval voor wat betreft de kwijtschelding van een deel van de lening, is bevoordeeld en dat dit als een gift moet worden aangemerkt, die bij de berekening van de legitieme porties moet worden betrokken.

De vraag is of ook voor wat betreft de koopprijs sprake is van bevoordeling van G, die als gift moet worden aangemerkt.

Volgens gedaagde is dat niet het geval omdat de woonboerderij voor een reële prijs, te weten de WOZ-waarde, is verkocht.

Volgens eiser is dat wel het geval omdat geen sprake was van een reële koopprijs. De werkelijke waarde lag volgens eiser c.s. hoger dan de WOZ-waarde, waarbij eiser c.s. zich beroept op een taxatie van makelaar B waarin de marktwaarde van de woonboerderij vrij van gebruik voor de peildatum 2010 is getaxeerd op € 500.000,00 en onder bezwaar van gebruik en bewoning op € 450.000,00 (50%) of € 400.000,00 (100%). Bovendien is volgens eiser c.s. ten onrechte rekening gehouden met vruchtgebruik, terwijl [GH] van meet af aan zelf over de woning kon beschikken.

Legitieme. Gift? De legitimarissen stellen dat de waarde van de woning hoger was dan de koopsom en dat hierdoor sprake is van een gift.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank overweegt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt (artikel 7:187, lid 2, BW). Hiervoor is niet alleen vereist dat er sprake is van bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordeling. De gever moet de bedoeling hebben om de ontvanger te verrijken. Deze bevoordelingsbedoeling moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld (vgl. HR 15 juni 1994, NJ 1995/577 en HR 12 juli 2002, PHR:2002:AD7272).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanwijzingen dat vader en moeder de bedoeling hadden G bij de verkoop van de boerderij nog meer te bevoordelen dan de genoemde kwijtschelding van een deel van de lening.

Weliswaar staat in de verklaring die vader en moeder bij de notaris hebben afgelegd dat zij de woonboerderij zo voordelig mogelijk willen overdragen aan G en dat zij slechts € 100.000,00 hoeven te ontvangen naast een levenslang woonrecht op de boerderij, maar bij het bepalen van de verkoopprijs hebben zij aansluiting gezocht bij de op dat moment geldende WOZ-waarden.

Op genoemde waarde hebben zij een bedrag in mindering gebracht voor het bij de levering tegelijkertijd gevestigde levenslange zakelijke recht van gebruik en bewoning door vader en moeder.

Dit bedrag hebben zij – zoals niet in geschil is – bepaald overeenkomstig de rekentabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Aldus hebben zij naar het oordeel van de rechtbank objectieve maatstaven gehanteerd.

Voor wat betreft de bepaling van de koopprijs blijkt hieruit geen bedoeling tot bevoordeling van G. Het had op de weg van eiser c.s. gelegen om aan te tonen dat de WOZ-waarde geen juiste waarde was èn dat vader en moeder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn.

Dit laatste heeft eiser c.s. niet aangetoond. Dat makelaar B in 2015 de woonboerderij tegen de peildatum van 2010 hoger heeft getaxeerd, duidt er op dat vader en moeder wellicht bij vrije verkoop een hogere prijs hadden kunnen ontvangen, maar dat wil nog niet zeggen dat vader en moeder bij het bepalen van de koopprijs zich hiervan bewust waren en evenmin dat zij ook beoogden om G aldus te bevoordelen.

Dit kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat G op enig moment, kennelijk met instemming van vader en moeder, in de woonboerderij is gaan wonen, ook niet als zou worden aangenomen, zoals eiser c.s. suggereert, dat het reeds bij verkoop en levering van de woonboerderij de bedoeling was dat G in de woonboerderij zou gaan wonen.

Door het recht op gebruik en bewoning van vader en moeder mistte G tot het moment van overlijden van beiden het volle eigendom, hetgeen een relevante waarde verminderende factor is.

Eiser c.s. heeft overigens geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit deze bevoordelingsbedoeling kan worden afgeleid.

Eiser c.s. heeft aangevoerd dat de waardevermeerdering na verbouwing van de woonboerderij moet worden betrokken bij de vraag of sprake is van een gift.

De rechtbank kan dit niet volgen. Zij ziet niet in waarom de verbouwing die na levering van de woonboerderij aan G heeft plaatsgevonden, relevant kan zijn voor de vraag of er bij het bepalen van de koopprijs sprake was van een gift aan G.

Eiser c.s. acht het ongeloofwaardig dat G deze verbouwing zelf heeft betaald, zoals door gedaagde is gesteld, maar heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat de verbouwing is betaald door vader en moeder en daarmee als een gift aan G zou moeten worden aangemerkt.

Wat betreft de (her)bouwkosten van de woonboerderij die door vader en moeder zijn betaald, merkt de rechtbank op dat deze kosten in de WOZ-waarde van 2010 worden geacht te zijn verdisconteerd.

Ter comparitie van partijen is door gedaagde toegezegd dat zij de taxatie van de belastingdienst zou overleggen, ter onderbouwing van haar stelling dat ook de belastingdienst niet is uitgegaan van een schenking.

Gedaagde heeft de taxatie van de belastingdienst niet overgelegd, maar gesteld niet over deze taxatie te beschikken.

De rechtbank verbindt geen consequenties aan het niet overleggen van deze taxatie, nu eiser c.s. niet heeft betwist dat de taxatie door de belastingdienst niet heeft geleid tot een extra heffing van het schenkingsrecht. Daarom mag aangenomen worden dat ook de belastingdienst in de koopprijs geen reden heeft gevonden om van een schenking uit te gaan.

Ook de bewoning van de woonboerderij door G kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een gift worden aangemerkt. Gedaagde heeft hierover verklaard dat G de zolder, die vader en moeder niet gebruikten, heeft verbouwd om een zelfstandige woonruimte te creëren. Door eiser c.s. is dit niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat. Aldus is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat door de inwoning van G sprake was van verarming bij vader en moeder.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de legitieme, over inkorting op grond van een gift of schenking, of over de berekening van de waarde van onroerend goed in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.