De Rechtbank Rotterdam heeft op 13 mei 2020 uitspraak gedaan over de hoogte en de berekening van de legitieme.

In deze zaak gaat het alleen nog om het vaststellen van de legitieme portie van eiseres.

Niet in geschil is dat het breukdeel van de legitieme voor eiseres ¼ is.

De legitieme portie is een gedeelte (in dit geval ¼) van de legitimaire massa.

De legitimaire massa bestaat uit de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke wordt vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (artikel 4:65 BW).

Hieronder zal beoordeeld worden wat de waarde is van de goederen van de nalatenschap, welke giften in aanmerking moeten worden genomen en met welke schulden rekening moet worden gehouden.

Partijen zijn het er wel over eens dat bij de berekening van de legitimaire massa rekening moet worden gehouden met giften die erflaatster aan gedaagde gedaan heeft tijdens haar leven.

Partijen verschillen alleen van mening over de hoogte van het bedrag aan giften.

Gedaagde heeft zelf berekend dat hij een bedrag van € 87.227,- van erflaatster als gift heeft ontvangen.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat gedaagde daarnaast ook nog andere giften heeft ontvangen van erflaatster.

Legitieme. Onterving. Aanspraak op de legitieme portie. Gift? Morele verplichting? Onderhoudsbehoefte? Berekening van de legitieme.

De rechter oordeelt als volgt

Gedaagde heeft erkend naast het bedrag van € 87.227,- ook een bedrag van € 39.000,- van erflaatster te hebben ontvangen dat hij nodig had om zijn hypotheek mee af te lossen.

Volgens gedaagde hoeft deze gift niet bij de berekening van de legitimaire massa worden meegenomen, omdat dit een gift is als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW.

Eiseres heeft dit betwist.

De in artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW bedoelde giften betreffen giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater.

Ter bepaling van de morele verplichting tot onderhoud is bepalend de onderhoudsbehoefte van de begiftigde, de financiële capaciteit van de schenker en de relatie van de schenker en de begiftigde.

Ook de mate van intensiteit van de morele verplichting speelt een rol.

Gedaagde heeft gesteld dat erflaatster betalingen heeft verricht op de hypotheek van gedaagde en zijn echtgenote, omdat de ING Bank anders zou overgaan tot executieveiling dan wel openbare verkoop van de woning van gedaagde en zijn gezin.

Gedaagde heeft echter niet nader onderbouwd waarom erflaatster moreel verplicht was om hem te onderhouden.

Erflaatster is weliswaar de moeder van gedaagde, maar dit betekent niet dat er ook een morele verplichting tot onderhoud bestond.

Gedaagde heeft zijn onderhoudsbehoefte niet nader onderbouwd en heeft evenmin onderbouwd dat de giften in overeenstemming waren met het inkomen en vermogen van erflaatster.

Dit betekent dat de gift van € 39.000,- niet valt onder artikel 4:69 lid 1 aanhef en onder a BW en dus wel bij de legitimaire massa moet worden opgeteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.