De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 oktober 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de reikwijdte van de informatieplicht van de executeur, tevens erfgenaam, met betrekking tot de afgifte van diverse bescheiden betreffende de nalatenschap ter berekening van de omvang van de legitieme.

In het testament van erflater is de executeur tot executeur benoemd.

Verder is de executeur aangewezen als erfgenaam voor 135/1000 deel, zijn B en C aangewezen als erfgenaam voor 432,5/1000 deel ieder, is de legitimaris onterfd en is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard.

De legitimaris heeft na het overlijden van erflater aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

Partijen twisten over de omvang van de legitimaire massa.

De legitimaire massa is de waarde van de nalatenschap op basis waarvan de legitieme portie berekend wordt. De omvang van de legitimaire massa wordt bepaald door artikel 4:65 BW: de waarde van de nalatenschap wordt vermeerderd met daartoe in aanmerking te nemen giften (artikel 4:67 e.v.) en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f).

De legitimaris baseert haar vordering op artikel 4:78 BW.

Dit artikel geeft de legitimaris, niet zijnde erfgenaam, het recht op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij nodig heeft voor de berekening van de legitieme portie.

Een vordering op deze grondslag kan als een incident worden aangemerkt.

Om in deze procedure effectief verweer te kunnen voeren tegen de stellingen van de executeur, zal de legitimaris moeten beschikken over de stukken op basis waarvan de legitimaire massa zal worden bepaald waarop de legitieme portie wordt gebaseerd.

Nog los van het feit dat de rechtbank, als zij op een deugdelijke wijze de omvang van de legitimaire massa en de hoogte van de legitieme portie vast moet stellen zelf ook over die informatie moet beschikken.

Legitieme. Informatieplicht. Legitimaris vordert van executeur de afgifte van diverse bescheiden betreffende de nalatenschap ter objectieve  vaststelling van de omvang van de legitieme.

De rechter oordeelt als volgt.

Voordat op de verschillende onderdelen van de vordering wordt ingegaan, eerst enkele algemene overwegingen vooraf.

Het zou niet in overeenstemming zijn met de parlementaire geschiedenis die heeft geleid tot de totstandkoming van artikel 4:78 BW om voorwaarden te verbinden aan toewijzing van de vordering van de legitimaris tot het verkrijgen van alle bescheiden die nodig zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa.

Immers, de erfgenamen kunnen daar van rechtswege al over beschikken, terwijl de bedoeling van de wetgever met het in het leven roepen van artikel 4:78 BW nu juist was dat de legitimaris-niet-erfgenaam, in dat recht niet bij de erfgenamen mocht worden achtergesteld.

De vorderingen van de legitimaris-niet-erfgenaam, tegenover de erfgenamen moeten immers (volgens de parlementaire geschiedenis) objectief worden vastgesteld.

Daarom zal niet snel sprake zijn van een ‘fishing expedition’ zoals door de executeur is aangevoerd.

Immers, alleen door het kunnen controleren van de financiële administratie van de erflater, waaronder het vermogensverloop in de bankafschriften over de periode vóór het overlijden van de erflater, is het voor de legitimaris mogelijk om objectief de legitieme portie vast te stellen.

Door slechts uit te gaan van de opgave door de erfgenamen en/of de executeur, zonder dat deze met het volledige vermogensverloop wordt onderbouwd, kan geen objectieve vaststelling van de omvang van de legitimaire massa en daaruit voortvloeiend de legitieme portie plaatsvinden.

De belangen van de erfgenamen, waaronder in dit geval de executeur, zijn per definitie tegenstrijdig met het belang van de legitimaris, niet-erfgenaam.

In dit geval, waarin de verhoudingen tussen de partijen verstoord zijn en er over en weer sprake is van wantrouwen, geldt dat nog meer.

De vraag die vervolgens rijst is hoever die verplichting voor de erfgenamen strekt.

Buiten kijf staat dat de legitimaris recht heeft op de bescheiden waarmee zij de omvang en de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden kan controleren.

Maar voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn ook vóór het overlijden gedane giften door de erflater van belang (artikel 4:65 BW jo 4:67 e.v. BW).

De legitimaris-niet-erfgenaam heeft daarom ook een gerechtvaardigd belang bij het kunnen controleren of door de erflater aan erfgenamen of derden schenkingen zijn gedaan.

Zij is niet gehouden af te moeten gaan op mededelingen van de executeur en/of erfgenamen daarover.

Ten behoeve van de controle met name van de vóór overlijden gedane giften is het van belang dat conform artikel 4:78 lid 1 BW óók de legitimaris-niet-erfgenaam, evenals de erfgenamen, afschrift van en inzage in de gehele financiële administratie van de erflater moet kunnen krijgen, waaronder een volledig overzicht van de in de nalatenschap aanwezige bankafschriften, dan wel de bankafschriften bij de bank die gedurende een periode van zeven jaar bewaard worden, teneinde inzicht te krijgen in de door de erflater gedane giften.

Uit de boedelbeschrijving blijken eventuele giften vóór het overlijden van de erflater immers niet, terwijl belastingaangiften een vertekend beeld kunnen geven van de daadwerkelijke omvang van de nalatenschap teneinde de te betalen erfbelasting zo laag mogelijk te houden.

Van de executeur mag in dit verband de nodige zorg verwacht worden om deze controle mogelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de te verstrekken informatie in ieder geval terug te gaan tot zeven jaar vóór het overlijden van erflater in verband met de wettelijke bewaartermijn van de bank.

De executeur dient deze bankafschriften op voorhand veilig te stellen, zeker als zij, zoals in dit geval, redelijkerwijs zou kunnen vermoeden dat door een legitimaris- niet-erfgenaam aanspraak zou kunnen worden gemaakt op de legitieme portie.

Dit om te voorkomen dat er na jarenlang procederen geen bankafschriften meer over de periode vóór het overlijden van de erflater zouden kunnen worden verkregen en daarmee het recht op het verkrijgen van deze informatie illusoir wordt.

Op de executeur rust ter zake een zorgplicht.

Als zij niet (meer) in staat is deze informatie te verstrekken, mag van haar worden verwacht dat zij stelt en onderbouwt dat en waarom zij geen beschikking meer heeft of kan krijgen over deze informatie.

Met inachtneming van het bovenstaande zullen nu de verschillende onderdelen van de vordering van de legitimaris worden besproken, waarbij de volgorde van het verweer van de executeur in de conclusie van antwoord in het incident wordt aangehouden.

Ten aanzien van de bankafschriften en de IB-aangiften en aanslagen

Tegen het verstrekken van deze stukken heeft de executeur geen bezwaar gemaakt, anders dan dat deze stukken (deels) al zijn verstrekt en dat de verplichting niet verder zou reiken dan tot vijf jaar vóór overlijden.

Uit al hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat het standpunt van de executeur over de reikwijdte van haar verplichting niet wordt gevolgd.

Ter controle van het bestaan en de omvang van giften, waarover tussen partijen duidelijk discussie bestaat, heeft de legitimaris recht op en belang bij afgifte van de gevraagde bescheiden ook over de periode langer dan vijf jaar voor het overlijden van erflater.

Immers kunnen ook giften, gedaan langer dan vijf jaar vóór het overlijden, van invloed zijn op de omvang van de legitimaire massa.

De executeur is daarom in beginsel gehouden, zoals hierboven overwogen, tot het verstrekken van kopieën van de gevraagde stukken, in ieder geval over de periode van zeven jaar vóór het overlijden van erflater.

Uit de stellingen van de executeur blijkt niet dat zij ook maar heeft geprobeerd om de gevraagde stukken beschikbaar te krijgen.

De vordering zal daarom op deze onderdelen, met inachtneming van de periode van zeven jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater, worden toegewezen.

Vast staat dat de woning niet getaxeerd is.

De executeur baseert de waarde van de woning op de WOZ-waarde.

Gelet op het overlijden van erflater halverwege het jaar en de van elkaar ruim afwijkende WOZ-waardes van begin dat jaar en van begin het daaropvolgende jaar bestaat er alle aanleiding tot een taxatie van de woning per datum van het overlijden van de erflater.

Het wantrouwen tussen partijen geeft hiervoor extra reden.

De executeur voert in haar antwoord in incident aan dat het haar onduidelijk is wat het belang van de legitimaris is bij deze stukken.

Dat belang heeft de legitimaris naar het oordeel van de rechtbank onderbouwd gesteld.

De legitimaris heeft onbetwist gesteld dat de betreffende woning op enig moment vrij van hypotheek was.

In dat geval kan het voor de omvang van de legitimaire massa van belang zijn met welk doel en voor welk bedrag een nieuwe hypothecaire lening is afgesloten betreffende deze woning.

Dit kan (deels) een gift betreffen die betrokken moet worden bij de omvang van de legitimaire massa.

Daarom zal de executeur aan de legitimaris kopieën moeten verstrekken van de betreffende stukken.

De vordering zal daarom ook op deze onderdelen worden toegewezen.

Het komt de rechtbank overigens onwaarschijnlijk voor dat de executeur niet over deze stukken zou beschikken, aangezien deze onderdeel zouden moeten uitmaken van haar eigen administratie.

Door de legitimaris is onderbouwd gesteld waarom zij meent dat deze polissen er zouden zijn en wat haar belang is bij afgifte van die polissen in verband met de vaststelling van haar legitieme portie.

Tegenover die gemotiveerde stellingen kan de executeur niet volstaan met de blote stelling dat zij niet van het bestaan van deze polissen weet.

Zij zal deze polissen moeten afgeven of onderbouwd moeten aangeven dat deze polissen, ondanks de kennelijke verwijzing daarnaar in financiële stukken van erflater, niet bestaan (hebben). De vordering zal op dit onderdeel worden toegewezen.

Ten aanzien van aangifte erfbelasting heeft de executeur aangevoerd dat deze voor de aanvang van de procedure al verstuurd zou zijn.

De legitimaris heeft gesteld dat de aangifte ontbreekt bij de door haar reeds ontvangen stukken.

Als dit document, om wat voor reden ook, op dit moment ontbreekt in de door de legitimaris ontvangen stukken, staat er voor de executeur niets aan in de weg om dit document (opnieuw) te verstrekken.

De vordering zal op dit gedeelte van het onderdeel worden toegewezen.

Anders dan de executeur is de rechtbank van oordeel de legitimaris belang heeft bij de door haar gevorderde testamenten.

Het betreft, zo volgt voldoende duidelijk uit de stellingen van de legitimaris, de testamenten van de ouders van erflater.

Over andere erfenissen wordt niet gesproken.

De legitimaris heeft voldoende belang bij afgifte van deze stukken omdat hieruit zal blijken of door erflater geldbedragen of zaken zijn verkregen waar een uitsluitingsclausule op van toepassing is.

Dat is van belang bij de bepaling van de omvang en de waarde van de nalatenschap.

Gesteld noch gebleken is wat de toegevoegde waarde van de door de legitimaris gevorderde verklaringen van erfrecht zal zijn.

Hieruit vloeit voort dat de vordering op dit onderdeel deels zal worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.