De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag welke giften bij de berekening van de legitieme moesten worden meegenomen.

In een testament uit 2007 heeft vader verweerster tot enig erfgenaam benoemd.

Hij heeft overige verweerder benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.

Eisers hebben aanspraak gemaakt op hun legitieme portie.

Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme. In aanmerking te nemen giften. Levensonderhoud. Morele verplichting. Gebruikelijke en bovenmatige giften. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Vader heeft aan verweerster een aantal schenkingen gedaan: € 24.000 in 2011, € 5.030 in 2012 en € 5.141 in 2013, in totaal dus € 34.171.

Eisers vorderen vernietiging van die schenkingen en een verklaring voor recht dat de nalatenschap met dit bedrag toeneemt, althans een verklaring voor recht dat dit bedrag bij de bepaling van de legitimaire massa moet worden meegerekend.

Waarom de schenkingen vernietigd moeten worden, is de rechter niet helemaal duidelijk.

Het doet er ook niet veel toe, omdat schenkingen in principe meetellen voor de berekening van de legitieme porties.

Zie artikel 4:67 BW:

Bij de berekening van de legitieme porties worden de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking genomen: giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is.

Schenkingen gedaan aan verweerster vallen hier zonder meer onder.

Het is wel mogelijk dat zij vallen onder de uitzondering van artikel 4:69 lid 1 BW:

Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd: giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater en gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren.

Onder a. moet het gaan om een morele verplichting; het is niet voldoende dat het begrijpelijk is dat de erflater wilde bijdragen in het onderhoud van die persoon.

Ook moet het gaan om een verplichting om te voorzien in iemands levensonderhoud.

Zolang verweerster met vader samenwoonde en voor hem zorgde, is het niet als gift te beschouwen dat zij mét hem leefde van zijn inkomen.

Of dat ook gold voor deze schenkingen, is mogelijk een ander verhaal.

In elk geval is bij bedragen van deze omvang niet meteen duidelijk dat zij die nodig had voor haar levensonderhoud.

Zij zal dus nog moeten uitleggen waarom hij deze schenkingen deed, en zij zal daarbij moeten ingaan op de verhouding tussen die schenkingen en enerzijds haar onderhoudsbehoefte, anderzijds zijn financiële mogelijkheden.

Onder b. moet het gaan om gebruikelijke giften, die gering van omvang zijn (in verhouding tot de financiële positie van partijen).

Dat drie schenkingen de giften ‘gebruikelijk’ maken, ziet de rechtbank nog niet; in elk geval de eerste schenking (van € 24.000 in 2011) kan natuurlijk niet  ‘gebruikelijk’ zijn.

Dat de genoemde bedragen gering van omvang zijn, ziet de rechtbank ook nog niet; daarvoor moet vader wel heel vermogend geweest zijn.

Als verweerster hierbij blijft, zal zij dit nog moeten uitleggen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme bij gedane giften, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.