De Rechtbank Rotterdam heeft op 18 november 2020 uitspraak gedaan over de vaststelling van de waarde van een legaat, dat in het testament gesteld werd als ter hoogte van de legitieme.
Erflater heeft bij testament van 20 augustus 2012 beschikt over zijn nalatenschap.
In het testament is onder meer, samengevat, het volgende bepaald: gedaagde is als enige erfgenaam benoemd, aan eiseres is een legaat toegekend ter hoogte van haar legitieme portie.
Gedaagde is samen met de echtgenote van erflater tot executeur benoemd, met het bevel om met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken, met inbegrip van een voorlopige staat van de schulden van de nalatenschap.
Legitieme. Vaststelling legaat ter hoogte van legitieme portie. Onroerend goed. Waardering. Peildatum. Waarde in het economische verkeer. WOZ-waarde?
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres uit hoofde van het aan haar toegekende legaat een vorderingsrecht op de nalatenschap heeft.
Zij verschillen echter van mening over de waarde daarvan.
Eiseres becijfert haar legitieme portie op € 840.000,- en gedaagde becijfert deze op € 0.
Bij haar berekening neemt eiseres, zoals gedaagde terecht aanvoert, ten onrechte tot uitgangspunt dat haar legitieme portie 1/3de deel van de legitimaire massa bedraagt.
De wettelijke erfgenamen van erflater als bedoeld in artikel 4:10 lid 1 aanhef en onder a BW zijn de echtgenote van de erflater, eiseres en gedaagde.
De legitieme portie van eiseres bedraagt daarom 1/3de deel van de helft van de waarde waarover legitieme porties worden berekend (art. 4:64 lid 1 BW) of anders gezegd 1/6de deel van de legitimaire massa.
Peildatum voor de waarde van de goederen van de nalatenschap is het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater (artikel 4:11 BW) en deze peildatum geldt hier ook voor de vaststelling van het legaat.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op eiseres de plicht om feiten te stellen waaruit de door haar gestelde hogere waarde van de legitimaire massa volgt en om bij betwisting die feiten te bewijzen.
Partijen zijn verdeeld over zowel de waarde van de goederen van de nalatenschap als de in aanmerking te nemen giften en schulden.
Eiseres stelt dat volgens voormelde taxatierapporten de waarde in het economisch verkeer van de woning in Spanje € 852.645 bedraagt (€ 540.000 voor de opstal en de onderliggende grond vermeerderd met € 312.645 voor het perceel van 2.052 m²) en van de andere woning in Spanje € 663.000 (€ 526.500 voor de opstal en onderliggende grond vermeerderd met € 136.500 voor het perceel van 1.244 m²) bedraagt.
Gedaagde betwist dat en voert aan dat de waarde in het economisch verkeer uitsluitend wordt gevormd door de in de rapporten vermelde ‘valor de tasaccion’ van respectievelijk € 540.000 en € 526.500.
Voorts voert gedaagde aan dat S het recht van vruchtgebruik op (het aandeel van erflater in) de woning in Alicante geeft, waardoor de in aanmerking te nemen waarde van de woning in Alicante lager is.
Op eiseres rust de bewijslast van haar stelling dat voor het verkrijgen van de waarde in het economisch verkeer de door haar genoemde waardes in de voormelde taxatierapporten dienen te worden opgeteld.
Het komt de rechtbank voor dat eiseres dat bewijs door middel van bescheiden zal kunnen leveren, zoals door overlegging van een vertaling van voormelde taxatierapporten in de Nederlandse taal of – indien die vertaling onvoldoende uitsluitsel biedt – door overlegging van een (Nederlandstalige) verklaring van een deskundige.
Gelet op artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub f BW zal het recht van vruchtgebruik op (het aandeel van erflater in) de onroerende zaak in Alicante en de daaraan toe te kennen waarde bij de schulden van de nalatenschap worden behandeld.
Over de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak aan de Luxemburgweg op de peildatum zijn partijen verdeeld.
Die waarde in het economisch verkeer stelt de rechtbank op basis van het door gedaagde overgelegde taxatierapport van 14 april 2017 vast op € 355.000.
Immers, die taxatie is verricht in opdracht van een in deze zaak als onafhankelijke derde aan te merken partij – te weten ABN Amro Bank N.V., als hypotheeknemer – zodat er van uit kan worden gegaan dat de getaxeerde waarde een reële waarde in het economisch verkeer is.
Verder zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat waarde in het economisch verkeer tussen de taxatie op 14 april 2017 en het overlijden van erflater op 19 juni 2017 is gewijzigd.
De door eiseres overgelegde bescheiden – op basis waarvan zij stelt dat de waarde in het economisch verkeer € 1.000.000 bedraagt, althans veel hoger dan de voormelde taxatie is – geven geen aanleiding tot een ander oordeel.
Immers, dat zijn recente uitdraaien van een niet nader genoemde bron op het internet en de daarop vermelde waarden betreffen volgens eiseres de WOZ-waarde.
Daargelaten de betrouwbaarheid van de bron kan de huidige WOZ-waarde niet worden gelijkgesteld aan de waarde in het economisch verkeer op de peildatum, te meer nu de WOZ-waarde uitgaat van de volle en onbezwaarde eigendom (art. 17 lid 2 Wet WOZ) en daarom geen rekening houdt met de verhuurde staat en het waarde drukkende effect van een (aflopende) erfpacht.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.