Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het recht van de legitimaris op een opgave van schenkingen in verband met het vaststellen van de legitieme.

De kern van de grief van appellante komt erop neer dat de voorzieningenrechter een te ruime reikwijdte aan de informatieplicht van art 4:78 BW heeft gegeven mede bezien het feit dat de informatievoorziening moet worden geplaatst binnen de context van art 4:67 BW.

In de memorie van grieven stelt appellante dat de reikwijdte van art 4:78 BW wordt beperkt tot het verstrekken van stukken en informatie van de omvang van de nalatenschap op het moment van overlijden.

Daarnaast brengt art 4:78 BW met zich mee dat verlangd mag worden dat een opgave wordt gedaan van schenkingen voor zover bekend.

Eerst nadat er een opgave van schenkingen is gedaan, kan informatie verlangd worden waaruit de omvang/waarde van de opgegeven schenkingen blijkt.

Voor de omvang van de informatieplicht verwijst appellante naar het arrest van dit hof van 5 augustus 2014, GHDHA:2014:2987.

Appellante is van mening dat zij slechts gehouden is om opgave te doen van de haar bekende schenkingen.

Voorts begrijpt het hof uit de stelling van appellante dat zij niet aan geïntimeerden behoeft te verstrekken de stukken die betrekking hebben op het vermogensverloop van erflater tijdens het leven van erflater.

Uit de memorie van grieven volgt dat appellante van mening is dat zij aan geïntimeerden alle haar bekende relevante informatie heeft verstrekt voor het bepalen van de omvang van hun legitimaire vorderingen en dat er derhalve geen grond meer was om appellante te veroordelen tot het verstrekken van nog meer informatie.

Legitieme. Informatieplicht. Giften. De legitimaris heeft recht op opgave schenkingen in verband met het vaststellen van de legitieme.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop, dat thans in het midden kan blijven in welke hoedanigheid, executeur of erfgenaam, appellante dient te voldoen aan haar informatieplicht van art 4:78 BW.

Door de beneficiaire aanvaarding door appellante is haar taak als executeur geëindigd en uit de stukken valt af te leiden dat er geen sprake is van een ruimschoots saldo als bedoeld in art 4:202 BW, zodat die uitzondering niet van toepassing is.

De nalatenschap van erflater had vereffend moeten worden en daarbij is art 4:78 BW niet van toepassing.

De vereffening biedt immers voldoende bescherming voor schuldeisers van de nalatenschap, waaronder legitimarissen.

Vast staat dat geïntimeerden niet van door hen door de vereffeningsbepalingen geboden mogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zodat ook via de weg van de vereffening – aanwijzing kantonrechter (art 4:210 BW) – geen informatie is verstrekt aan de legitimarissen.

Bij beschikking van 8 januari 2018 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de vereffening kennelijk is voltooid.

In de eerste aanleg is appellante gedagvaard mede in haar hoedanigheid van executeur. In hoger beroep komt appellante (terecht) op voor zich in privé, derhalve als erfgename.

De informatieplicht van art 4:78 BW van appellante als erfgename van erflater jegens geïntimeerden is een ruime en moet mede gelezen worden in verbinding met art 4:67 BW.

De legitimarissen moeten over zodanige informatie beschikken dat zij hun legitimaire aanspraken kunnen berekenen.

Uit de inleidende dagvaarding van geïntimeerden volgt dat appellante aan geïntimeerden een boedelbeschrijving heeft verstrekt met bankafschriften, aangiften en aanslagen, alsmede jaarrekeningen, waaruit het saldo van de nalatenschap volgt op het tijdstip van overlijden van erflater.

Voorts heeft zij verklaard dat het haar niet bekend is dat erflater schenkingen heeft gedaan. Aldus heeft zij informatie verschaft over eventueel in het verleden gedane giften door erflater.

Uit de inleidende dagvaarding volgt dus dat appellante inzage heeft gegeven met betrekking tot de goederen en schulden van erflater op zijn sterfdatum en voorts heeft opgegeven dat – voor zover haar bekend – geen giften zijn gedaan door erflater.

Appellante behoeft slechts verificatoire bescheiden met betrekking tot het vermogen van erflater te verstrekken per zijn sterfdatum, alsmede opgave te doen van in het verleden door erflater gedane giften.

Daartoe dienen onder meer bankafschriften met het saldo op de sterfdatum, overlijdensaangifte inkomstenbelasting, aangifte erfbelasting en de betreffende aanslagen.

Appellante behoeft aan geïntimeerden geen inzicht te verschaffen in het vermogensverloop in de periode 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016. Zulks geldt ook voor de aangiften inkomstenbelasting en aanslagen over het verleden.

Erflater stond niet onder curatele of bewind. Erflater kon derhalve zijn leven invullen zoals hij wenste en achteraf kunnen legitimarissen niet eisen dat alsnog rekening en verantwoording dient te worden afgelegd met betrekking tot de leefwijze van erflater en het mogelijk daarmee gepaard gaande uitgavenpatroon.

Het hof is derhalve van oordeel dat de voorzieningenrechter in het onderhavige geval een te ruime uitleg heeft gegeven aan de informatieplicht van art 4:78 BW.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.