Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het recht van de legitimaris niet-erfgenaam op informatie van de executeur (artikel 4:78 BW) voor de berekening van de omvang van de legitieme.

Eiseres heeft gedaagde gedagvaard zowel in hoedanigheid van executeur als in hoedanigheid van erfgenaam.

Zij zal in haar vordering tegen gedaagde in zijn hoedanigheid van erfgenaam niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat uitsluitend de executeur de erfgenamen in rechte vertegenwoordigd op grond van artikel 4:145 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Uit de vermelde bepaling in het testament, blijkt dat de echtgenote van wijlen gedaagde de opvolgend executeur is. De rechtbank gaat ervan uit dat zij ook heeft bedoeld de procedure in die hoedanigheid voort te zetten.

Voor zover de advocaat heeft bedoeld de gezamenlijke erfgenamen van gedaagde als rechtsopvolgers in deze procedure aan te merken, zal de rechtbank eiseres niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen jegens de erfgenamen van gedaagde omdat de verplichtingen van gedaagde als executeur niet door zijn overlijden onder algemene titel op zijn erfgenamen zijn overgegaan.

Eiseres stelt dat ze recht heeft op de door haar verlangde stukken om de omvang van haar legitieme vordering vast te stellen.

Zij bestrijdt de juistheid van het door de executeur verstrekte overzicht bij zijn brief van 7 oktober 2015. Volgens haar heeft de executeur haar onjuist en onvolledig geïnformeerd.

Dit blijkt bijvoorbeeld uit de twee verschillende successieaangiften die eiseres heeft ontvangen waarop van elkaar verschillende te verdelen saldi staan vermeld. Daarbij komt dat in de laatste aangifte een post “andere schulden” is opgenomen die niet gespecificeerd is en die in omvang afwijkt van diezelfde post op de eerdere successieaangifte.

Voorts ontbreken bij de boedelbeschrijving bepaalde door eiseres in de dagvaarding genoemde goederen. Niet genoemd wordt de ring met saffier en briljanten die eiseres aan erflaatster had geschonken en de goudenmuntencollectie (of een equivalent van de waarde daarvan) uit de nalatenschap van de vader van partijen.

De executeur heeft alleen door hemzelf opgestelde brieven en lijstjes overgelegd, zonder onderbouwing daarvan met stukken. Voorts voert eiseres aan dat het onwaarschijnlijk is dat het vermogen waarover erflaatster beschikte in januari is gereduceerd tot € 27.640,-, zoals uit de laatste successieaangifte zou blijken.

Volgens eiseres bedroeg dit vermogen in 2001 afgerond € 380.000,- en werd dat jaarlijks met AOW/ABP ten bedrage van € 20.000,- vermeerderd. Daarvan is weinig opgesoupeerd omdat erflaatster een sobere levensstijl had.

Dit betekent volgens haar dat gedaagde bedragen opgenomen of overgeboekt heeft. Zij stelt dat de giften die erflaatster aan gedaagde en aan zijn kinderen heeft gedaan (door haar begroot op € 135.959,58 aan gedaagde en € 139.746,05 aan ieder kind van hem), zijn geschonken en aanvaard kennelijk met de bedoeling om haar als legitimaris te benadelen.

Ook indien rekening wordt gehouden met deze giften, is er nog een bedrag van afgerond € 235.000,- verdwenen. Daarom verlangt zij inzage in de aanslagen IB en schenkingsbelasting over de jaren 2000-2014, zodat inzichtelijk wordt waaraan het vermogen van erflaatster is besteed.

Sinds het overlijden van hun vader, beheerde gedaagde de financiën van erflaatster. Eiseres stelt dat gedaagde bedragen van de bankrekening van erflaatster zonder haar toestemming naar zichzelf en/of zijn kinderen heeft overgemaakt.

Omdat de executeur niet aan zijn verplichting heeft voldaan om haar te informeren, verzoekt eiseres hieraan de gevolgen te verbinden die de rechtbank geraden acht, in die zin dat de rechtbank de door eiseres berekende legitieme portie van € 124.499,16 zal toewijzen. Zij is op dit bedrag uitgekomen op grond van de door haar gereconstrueerde financiële gegevens.

De executeur heeft ten eerste aangevoerd dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden, omdat de stellingen van eiseres niet onderbouwd zijn en zij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarop zij de berekening van de door haar gevorderde bedragen baseert.

Ten tweede voert de executeur aan dat eiseres in strijd handelt met de waarheidsplicht zoals neergelegd in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door opzettelijk informatie achter te houden of de rechtbank verkeerd voor te lichten.

De executeur stelt zich daarbij op het standpunt dat de rechtbank de vorderingen van eiseres dient af te wijzen vanwege deze onwaarheden.

Volgens de executeur heeft eiseres in de procedure voor de kantonrechter en in de kortgedingprocedure doen voorkomen alsof zij de zogenoemde verantwoordingsbrief van de executeur van 7 oktober 2015 niet heeft ontvangen – waarin hij inzicht geeft in de samenstelling van de nalatenschap en uitleg geeft over de kosten – terwijl zij wel bekend blijkt met deze brief nu zij deze zelf bij de dagvaarding heeft overgelegd.

Ook heeft zij stukken (die zij van de executeur heeft ontvangen) in het geding gebracht met weglating van belangrijke punten of bladzijden waarmee zij bewust een verkeerd beeld schetst. Verder laat zij na de giften die zij van erflaatster heeft ontvangen in mindering te brengen op haar legitieme portie.

Voorts heeft de executeur inhoudelijk verweer gevoerd tegen de stellingen van eiseres.

Legitimaris niet-erfgenaam heeft recht op informatie. Is alle informatie door de executeur verstrekt die voor de berekening van de omvang van de legitieme noodzakelijk zijn?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank overweegt dat nietigheid van de dagvaarding niet aan de orde is. Zowel voor de executeur als voor de rechtbank is het duidelijk welke vorderingen eiseres heeft ingediend, ongeacht of zij deze voldoende heeft onderbouwd of niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de executeur inhoudelijk verweer heeft kunnen voeren.

Ten aanzien van de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht overweegt de rechtbank dat indien bij de inhoudelijke beoordeling van de stellingen blijkt dat eiseres daarmee in strijd heeft gehandeld, de rechtbank daaraan de gevolgen zal verbinden die zij geraden acht.

Voordat de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling overgaat, zal zij eerst stilstaan bij de consequenties van de eerder tussen partijen gevoerde procedures.

Voor zover eiseres in de huidige procedure verstrekking van bepaalde inlichtingen of stukken vordert waarover al is beslist door de kantonrechter, zal de rechtbank evenals de voorzieningenrechter destijds, niet in de beoordeling daarvan treden.

De rechtbank zal ten aanzien van deze inlichtingen of stukken alleen beoordelen of de gevorderde dwangsom kan worden toegewezen.

Daarvoor is relevant of de executeur deze stukken inmiddels heeft verstrekt.

Ten aanzien van de overige inlichtingen of stukken waarop eiseres aanspraak maakt, geldt het volgende.

Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft.

Vanwege de eerder genoemde privatieve bevoegdheid van de executeur, gaat de rechtbank ervan uit dat eiseres in dit verband alleen de executeur kan aanspreken.

Voor de bepaling van de legitieme vordering is ook van belang welke giften de legitimaris van erflater heeft ontvangen; deze komen op grond van artikel 4:70 lid 1 BW in mindering op zijn legitieme portie.

Eiseres is daarom op grond van de redelijkheid en de billijkheid gehouden inzichtelijk te maken welke giften zij van erflaatster heeft ontvangen.

Eiseres heeft in haar akte van 10 februari 2017 gesteld dat zij naar aanleiding van de na de comparitie ingewonnen inlichtingen heeft ontdekt dat er gelden door de executeur zijn doorgesluisd naar en ten behoeve van zijn kinderen, welke giften niet zijn vermeld op het eerder door hem overlegde overzicht. De door haar omcirkelde bedragen zijn echter terug te vinden op het eerder genoemde overzicht van de executeur.

De rechtbank houdt het ervoor dat eiseres de executeur in deze procedure in diskrediet heeft willen brengen door de suggestieve stellingen die zij verder niet onderbouwd en door het indienen van incomplete stukken.

Gelet op de door de executeur verstrekte overzichten en stukken en het tussen partijen gevoerde debat, komt de rechtbank tot het oordeel dat de executeur aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat er geen grond is om aan te nemen dat er nog giften zijn gedaan door erflaatster die niet door de executeur zijn genoemd maar die wel van belang zouden zijn voor de bepaling van de legitieme vordering van eiseres.

Hieruit volgt dat de vordering met betrekking tot “de stukken waarmee de schenkingen aan gedaagde, diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld”, afgewezen zal worden.

Eiseres heeft de verstrekking van een machtiging door de executeur gevorderd om informatie te verkrijgen betreffende het vermogen van erflaatster, in het bijzonder over de banksaldi ten tijde van het overlijden van erflaatster.

Voor zover dit bankafschriften of een print van de internetpagina’s van de ING betaal- en beleggingsrekening op de sterfdatum van erflaatster betreft, betreft dit ook het voldoen door de executeur aan de veroordeling van de kantonrechter.

Ter zitting heeft de executeur aan eiseres een volmacht verleend voor een periode van drie maanden, om namens hem informatie van alle betrokken/relevante banken en instanties in Nederland betreffende het vermogen van erflaatster te verkrijgen.

In zoverre heeft de executeur voldaan aan de vordering en aan de veroordeling door de kantonrechter. Uit de akte van eiseres van 10 februari 2017, blijkt dat zij daarmee echter niet de door haar gewenste informatie heeft kunnen verkrijgen. Argenta, ABN-AMRO en SNS bank weigeren de bankafschriften te verstrekken en verwijzen naar de executeur. Volgens eiseres zouden de banken aan hem de bankafschriften hebben verstrekt.

De rechtbank kan dit echter niet opmaken uit de bijlagen waarnaar eiseres verwijst ter toelichting van deze stelling. De redenen die daarin worden genoemd houden verband met het ontbreken van een omschrijving in de volmacht van wat onder “vermogen” wordt verstaan, wiens nalatenschap het betreft, het ontbreken van een verklaring van erfrecht, het feit dat er sinds 2012 geen producten meer aanwezig zijn op de naam van erflaatster of dat de gevraagde informatie geen betrekking heeft op een bankrekening ten name van erflaatster.

De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van de (subsidiaire) vordering, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de executeur al aan zijn verplichting heeft voldaan om eiseres te voorzien van de benodigde informatie over de omvang van de nalatenschap door de verstrekking van de definitieve aangifte voor successie en de zogenoemde verantwoordingsbrief van 7 oktober 2015.

Wilt u de gehele uitspraakbekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over informatieverstrekking voor de berekening van de legitieme, over de taken en bevoegdheden van de executeur of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.