Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Den Haag heeft op 24 april 2019 uitspraak gedaan over het kunnen voldoen van de legitieme en een geldlening aan de erflaatster. Onrechtmatig handelen? Stelplicht en bewijslast.

Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door met schijnconstructies in de vorm van zogenaamde geldleningen aan moeder ervoor te zorgen dat alle gelden die moeder kort voor haar overlijden nog had naar gedaagde zijn overgeheveld, waardoor de nalatenschap van moeder geen verhaal biedt voor de legitieme portie van eiser en de vordering van eiser op (de nalatenschap van) moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader ten bedrage van € 38.210,-.

Legitieme. Geldlening aan erflaatster. Onrechtmatig handelen? Stelplicht en bewijslast. Vruchtgebruik.

De rechter oordeelt als volgt.

Kern van het geschil is de vraag of gedaagde op onrechtmatige wijze ervoor heeft gezorgd dat eiser geen aanspraak kan maken op zijn vordering uit de nalatenschap van vader en zijn legitieme portie uit de nalatenschap van moeder door gelden van moeder kort voor haar overlijden naar zichzelf over te hevelen en zo te onttrekken uit de nalatenschap.

Gedaagde heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd tegen de stellingen van eiser. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. Vanaf 2004 tot aan het overlijden van moeder heeft hij aan moeder geld geleend ten behoeve van haar levensonderhoud, een verbouwing van de woning en haar verblijf in het Verzorgingstehuis, nu het inkomen van moeder voor haar levensstandaard niet toereikend was.

Gedaagde en moeder hebben hieromtrent afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een tweetal vaststellingsovereenkomsten en waaruit genoegzaam blijkt dat hij een vordering op moeder had.

Ter zekerheid van terugbetaling van het geleende bedrag is ten behoeve van gedaagde een (tweede) recht van hypotheek gevestigd op de woning van moeder. Met de overwaarde die resteerde na verkoop van de woning heeft zij de vordering van gedaagde voldaan.

De bewijslast van de stelling dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld rust volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op eiser, nu eiser een beroep doet op het rechtsgevolg daarvan, te weten vergoeding van geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagde, zijn stellingen over het onrechtmatig handelen van gedaagde, onvoldoende heeft onderbouwd. De vorderingen van eiser zullen daarom worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot dat oordeel is gekomen.

De overeenkomst van geldlening en de vaststellingsovereenkomst waarnaar gedaagde ter onderbouwing van zijn verweer verwijst, kwalificeren als onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 Rv.

Volgens artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring.

Gelet daarop gaat de rechtbank dan ook in beginsel uit van de juistheid van de stelling van gedaagde, te weten dat moeder van gedaagde een bedrag van ten minste € 175.627 ter leen heeft ontvangen.

In de relatie tussen eiser en gedaagde hebben de overeenkomst van geldlening en de vaststellingsovereenkomst geen dwingende, maar vrije bewijskracht en is de waardering ten aanzien van de overtuigende kracht van de inhoud van de overeenkomsten overgelaten aan het oordeel van de rechtbank. In dat kader overweegt zij als volgt.

Eiser dient aan te tonen dat de lening slechts een schijnconstructie was om ervoor te zorgen dat de nalatenschap van moeder geen verhaal zou bieden voor de vorderingen die hij op moeder had en uit haar nalatenschap zou krijgen.

Eiser heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat er geen enkel bewijs is voor de stelling van gedaagde dat hij moeder in de jaren 2004 tot en met 2016 jaarlijks € 9.000 in contanten leende en dat dit ook niet aannemelijk is, omdat gedaagde geen goede relatie had met moeder.

Aannemelijker is dat, zoals door gedaagde ter zitting ook is verklaard, moeder niet wilde dat er uit haar nalatenschap gelden naar eiser (en haar dochter) zou gaan, temeer nu de in de vaststellingsovereenkomst van 17 oktober 2016 genoemde schuld van moeder nagenoeg gelijk is aan de uiteindelijke overwaarde van de woning (waarmee de vermeende) vordering van gedaagde is voldaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat moeder op grote voet leefde. Gedaagde heeft ter betwisting van de stellingen van eiser bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat hij in ieder geval over de periode oktober 2016 tot en met december 2017 aan moeder meerdere geldbedragen heeft overgemaakt, alsmede facturen van het Verzorgingstehuis, waaruit blijkt dat de vaste kosten daarvoor maandelijks circa € 5.500 bedroegen.

Nu eiser ook niet heeft betwist dat moeder een maandelijks inkomen van circa € 2.200 had, staat daarmee in ieder geval vast dat zij met haar inkomen haar maandelijkse vaste lasten niet kon voldoen en afhankelijk was van de bedragen die gedaagde maandelijks aan haar ter beschikking stelde.

Of moeder jaarlijks ook € 9.000 aan contanten van gedaagde leende is een vraag waarbij het risico dat die onbeantwoord blijft volgens de beschreven bewijslastverdeling op eiser rust.

Eiser zal in dat kader voldoende moeten stellen om tot bewijslevering op dat punt te worden toegelaten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de lening niet in de belastingaangiften van moeder en gedaagde is opgenomen, dat het totale bedrag van de lening overeenkomt met de overwaarde van de woning en dat gedaagde zelf heeft verklaard dat moeder geen cent van haar nalatenschap wilde zien bij eiser.

Hoewel het voorgaande, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, vragen oproept zegt het voorgaande nog niet dat moeder geen contante bedragen van gedaagde ontving en heeft eiser dan ook onvoldoende gesteld om op dat punt tot bewijslevering te worden toegelaten.

Daar komt bij dat moeder – ten aanzien van de vordering van eiser uit hoofde van de nalatenschap van vader – op grond van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik toekomt van de gelden die zij uit de nalatenschap van vader heeft gekregen.

De vordering die eiser daaruit voortvloeiende op basis van lid 3 van artikel 4:13 BW op moeder had (een bedrag van € 38.210), is opeisbaar geworden bij haar overlijden.

Inherent aan het bepaalde in artikel 4:13 BW is het risico dat het saldo van de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot op het moment van overlijden ontoereikend is om de vordering van de kinderen te voldoen.

Nu er geen rechtsregel is die zich daartegen verzet en de wet evenmin verplicht dat een nalatenschap voldoende middelen moet bevatten om de vorderingen van de kinderen te voldoen, kan eiser gedaagde niet, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, tegenwerpen dat het saldo van de nalatenschap van moeder negatief is.

De rechtbank acht de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen van doorslaggevende betekenis.

Nu door eiser niet is aangevoerd dat de daarin tot uitdrukking gebrachte verklaring van moeder in werkelijkheid niet overeenstemde met haar wil, gaat zij uit van de juistheid van die verklaring. De notaris heeft zich bij de ondertekening van de overeenkomst immers vergewist van de identiteit van moeder en gedaagde en tevens van hun mentale staat, zodat daar geen onduidelijkheid over kan bestaan.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over het wettelijke versterferfrecht of over vruchtgebruik of bewijsrecht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.