Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 maart 2019 uitspraak gedaan over de bepaling van de waarde van een nalatenschap en de begroting van de legitieme portie. Kinderen worden toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van hun stelling over geld op een Luxemburgse bankrekening.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld ‘dat tot de nalatenschap behoort een bedrag van € 250.000,–., zijnde (ongeveer) de opbrengst van de woning die op of omstreeks 13 mei 2004 is gestort op een Belgische bankrekening van erflater en enkele dagen later contant is opgenomen.’

De grief is tegen dat oordeel gericht.

Legitieme. Bepaling waarde nalatenschap en begroting legitieme portie. Kinderen worden toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van hun stelling over geld op een Luxemburgse bankrekening.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief de volgende feiten voorop.

Volgens de notariële afrekening van de overdracht van de woning aan geïntimeerde op 11 mei 2004, kwam ter zake die overdracht aan de erflater, na voldoening van de hypotheekschuld van € 120.596,63 en enkele bijkomende kosten, een bedrag toe van € 269.264,51.

Op 13 mei 2004 is op de KBC-Zichtrekening van erflater een bedrag van € 247.401,15 bijgeboekt.

Op 16 mei 2004 is van diezelfde rekening € 247.000,– contant opgenomen.

Op 18 mei 2004 heeft de erflater voor € 25,39 brandstof getankt.

In de toelichting op de grief stelt appellante dat de erflater enkele dagen na 18 mei 2004 telefonisch contact heeft opgenomen met haar met de mededeling dat hij met zijn auto zonder brandstof was komen stil te staan; dat appellante toen in het begin van de avond brandstof is gaan brengen en ter plaatse in de auto van erflater vier personen aantrof, te weten erflater, geïntimeerde, en met kennissen van de erflater.

Volgens appellante is het onmogelijk dat het bedrag van € 247.000,–, dat op 16 mei 2004 contant is opgenomen, geheel verteerd was toen erflater op 28 oktober 2005 overleed. Volgens appellante wijzen de feiten erop dat het bedrag van € 247.000,– in mei 2004 op een bankrekening in Luxemburg is gestort en kan aangenomen worden dat het bedrag nog aanwezig was toen erflater op 28 oktober 2005 overleed.

Appellante heeft bewijs van haar stellingen aangeboden door het als getuigen laten horen van geïntimeerde en de heer en mevrouw K, de kennissen van de erflater.

Omdat appellante zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat erflater ten tijde van zijn overlijden het bedrag van € 247.000,– nog geheel of ten dele op een Luxemburgse bankrekening had staan, draagt zij de bewijslast van die stelling.

Het hof ziet geen aanleiding om van die in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling af te wijken.

Dat het bedrag op 16 mei 2004 contant is opgenomen, terwijl niet op concrete wijze is gesteld of gebleken waaraan het bedrag vervolgens is besteed (behoudens de door geïntimeerde geopperde mogelijkheid dat erflater het bedrag aan zijn kinderen kan hebben geschonken), roept wel vragen op maar is naar het oordeel van het hof onvoldoende om appellante voorshands in de bewijslevering geslaagd te achten.

Het bewijsaanbod dat appellante heeft gedaan is ter zake dienend en voldoende gespecificeerd.

Het hof zal appellante daarom overeenkomstig haar aanbod toelaten om, in beginsel door het als getuigen te laten horen van geïntimeerde en de heer en mevrouw K, kennissen van de erflater, te bewijzen dat het bedrag van € 247.000,– dat op 16 mei 2004 contant is opgenomen, in mei 2004 op een bankrekening in Luxemburg is gestort en nog geheel of ten dele aan erflater toebehoorde toen erflater op 28 oktober 2005 overleed.

Appellante heeft in de toelichting op grief 3 voorts gesteld dat geïntimeerde de aangiften inkomstenbelasting van erflater over 2001, 2002 en 2003 in het geding moet brengen. Het hof zal die stelling hierna bij de behandeling van de grieven 4 en 8 bespreken.

Het hof zal elk verder oordeel over de grief aanhouden

Vordering overleggen aangiften inkomstenbelasting

Het hof zal de volgende grieven gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat geïntimeerde onvoldoende informatie heeft verschaft en tegen het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat geïntimeerde geen opgave heeft gedaan van alle activa en passiva.

In de toelichting op deze grieven betoogt appellante dat geïntimeerde de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003 van erflater moet overleggen omdat die meer inzicht kunnen verschaffen in de vermogenspositie van erflater.

Geïntimeerde heeft in het geding in eerste aanleg gesteld dat zij niet meer beschikt over de door appellante gevraagde aangiften inkomstenbelasting over 2001 tot en met 2003, behalve voor zover het betreft het deel van de aangifte over 2001 dat zij als productie bij de conclusie van dupliek heeft overgelegd.

Appellante heeft dat niet gemotiveerd betwist en het hof acht het gelet op het tijdsverloop tussen de genoemde jaren en de inleidende dagvaarding van 14 juli 2014 waarmee de onderhavige procedure is aangevangen ook niet onaannemelijk dat appellante niet meer over die belastingaangiften van erflater beschikt.

Reeds om die reden ziet het hof geen aanleiding om geïntimeerde te veroordelen deze belastingaangiften over te leggen.

Daar komt bij dat appellante in de toelichting op de grieven niet heeft toegelicht welk belang die belastingaangiften hebben voor de bepaling van de omvang en waarde die de nalatenschap van erflater op 28 oktober 2005 had. Appellante heeft in de toelichting op de grieven voorts niet specifiek duidelijk gemaakt welke andere stukken geïntimeerde nog zou moeten overleggen. De grieven hebben in zoverre ook geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven.

Het hof concludeert dat de grieven niet kunnen leiden tot toewijzing van de vordering in conventie, en dat deze grieven verworpen moeten worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over de legitieme of het kindsdeel, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.