De Rechtbank Overijssel heeft op 7 januari 2020 uitspraak gedaan over het recht op informatie van de legitimaris.

De legitimaris, die niet tevens erfgenaam is, heeft op grond van de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 4:78 lid 1 BW jegens de erfgenamen een verstrekkend recht op informatie voor de berekening van zijn legitieme portie. Daaronder valt ook het recht op afgifte van de bankafschriften van de erflater

X en Y zijn broers.

Erflater heeft in zijn testament bepaald dat Y zijn enig erfgenaam is en hij heeft hem tot executeur benoemd.

X is dus (impliciet) onterfd.

Legitieme. De legitimaris heeft een verstrekkend recht op informatie voor de berekening van zijn legitieme portie. Omvang en reikwijdte van de informatieplicht. Vereffening. Dwangsom.

De rechter oordeelt als volgt.

De stelling van Y dat artikel 4:78 lid 1 BW niet van toepassing is omdat de nalatenschap moet worden vereffend, leidt niet tot de door Y bepleite niet-ontvankelijkheid van X.

Y stelt – en dat is op zichzelf juist – dat de kantonrechter op grond van artikel 4:210 BW aanwijzingen bij de vereffening kan geven.

Om die reden is artikel 4:78 lid 1 BW volgens Y niet van toepassing.

Die aanwijzing zou inderdaad kunnen inhouden dat de door X verlangde administratieve bescheiden door Y aan X ter beschikking moeten worden gesteld.

Indien het verzoek van X veronderstellenderwijs niet op grond van artikel 4:78 lid 1 BW zou kunnen worden toegewezen, dan zou het verzoek op grond van artikel 4:210 BW kunnen worden toegewezen.

De kantonrechter is op grond van artikel 25 Rv gehouden de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.

Dat artikel geldt ook in een verzoekschriftprocedure.

De kantonrechter is overigens van oordeel dat vereffening niet aan de toepasselijkheid van artikel 4:78 lid 1 BW in de weg hoeft te staan, omdat de wettelijke bepalingen inzake de legitieme portie ook bij vereffening aan de orde kunnen zijn en de wetgever artikel 4:78 lid 1 BW ingeval van vereffening niet buiten toepassing heeft verklaard.

Artikel 4:78 lid 1 BW is, zoals hierna zal blijken, in het leven geroepen om de positie te versterken van de legitimaris die niet erfgenaam is.

Deze heeft bij die versterking ook belang ingeval van vereffening.

Artikel 4:78 lid 2 BW wijst de kantonrechter aan als de rechter tot wie het in dit artikellid bedoelde verzoek kan worden gericht.

Het ligt mede daarom niet voor de hand aan te nemen dat de kantonrechter niet bevoegd is ten aanzien van een aanspraak van een legitimaris op inzage, afschrift en inlichtingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

De aanspraak van een legitimaris kan, evenals het in lid 2 van artikel 4:78 BW bedoelde verzoek, door middel van een verzoekschrift worden geëffectueerd.

De vraag is hoe ver artikel 4:78 lid 1 BW strekt.

Daarover wordt blijkens de jurisprudentie verschillend gedacht.

De kantonrechter overweegt het volgende.

In de ontwerpfase luidde het huidige artikel 4:78 BW (toen: artikel 4.3.3.9) als volgt:

Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan vorderen dat een of meer der erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs hem inzage en een afschrift van de boedelbeschrijving, alsmede andere inlichtingen die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft, verstrekken.

Daarop kwam kritiek van de Raad van State. Die kritiek, een advies, luidde, voor zover van belang, als volgt (zie: Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1907-1909).

De vorderingen ter zake van sommen ineens en ter zake van de legitieme portie zijn vorderingen van zeer bijzondere aard.

Vooreerst omdat het bedrag van (het maximum van) deze vorderingen afhankelijk is van de waarde van de nalatenschap (artikelen 4.2A.2.7, derde lid, en 4.3.3.4), eventueel vermeerderd met de giften van artikel 4.3.3.5; voorts omdat de betreffende schuldeiser ter voldoening van hun bijzondere vorderingen gerechtigd zijn tot inkorting van testamentaire makingen (artikelen 4.2A.2.7, vierde lid, en 4.3.3.12) en tot inkorting van giften (artikel 4.2A.2.8 en de artikelen 4.3.3.13 en 14).

Deze bijzondere nalatenschapsschuldeiser hebben dus het grootste belang bij een reële en objectieve vaststelling van de waarde van alle nalatenschapsgoederen, bij inzage en afschrift van alle uiterste wilsbeschikkingen van de erflater waarop zij eventueel wel als deelgenoten van de nalatenschap doch niet als (uitsluitend) schuldeiser van de nalatenschap recht hebben en bij inzage en afschrift van alle akten, stukken en andere administratieve bescheiden, die van belang kunnen zijn voor de waardevaststelling van de, al of niet aan een bedrijf dienstbare, nalatenschapsgoederen, ofwel van belang kunnen zijn voor het opsporen van de inkortbare giften van artikel 4.3.3.5.

Indien een erflater onder de gelding van het nieuwe recht zijn echtgenoot, een van zijn kinderen of een vreemde tot enige en algehele erfgenaam heeft benoemd, wordt deze enige erfgenaam terstond en van rechtswege enige eigenaar van alle nalatenschapsgoederen, met inbegrip van alle daartoe behorende bewijsstukken en administratieve gegevens, over welke goederen en bescheiden de erfgenaameigenaar naar goeddunken zal mogen beschikken, tenzij de wet anders bepaalt.

Deze erfgenaam heeft een tegenstrijdig belang met de nalatenschapsschuldeiser ter zake van sommen ineens en ter zake van de legitieme portie.

Immers het belang van laatstgenoemden is een zo hoog mogelijke waardering van de nalatenschapsgoederen, terwijl het belang van de erfgenaam daarentegen, gelet op de verschuldigde successierechten en vooral ook wanneer tot de nalatenschap een bedrijf behoort, een zo laag mogelijke waardering van nalatenschapsgoederen meebrengt.

Het wetsontwerp komt aan de hiervoor geschetste rechten en belangen van deze bijzondere nalatenschapsschuldeiser slechts tegemoet door hen in de artikelen 4.2A.2.9 en 4.3.3.9 een recht te geven op inzage en afschrift van de akte van boedelbeschrijving, alsmede een recht op het verstrekken van inlichtingen die zij voor de berekening van hun vorderingen behoeven.

De Raad acht dit niet voldoende, alleen reeds omdat een recht op inzage en afschrift van alle uiterste wilsbeschikkingen ontbreekt, zodat het inkortingsrecht van artikel 4.2A.2.7, vierde lid, en artikel 4.3.3.12 niet door deze schuldeiser kan worden beoordeeld; en voorts omdat, bij gebreke van een recht op inzage en/of afschrift van alle bewijsstukken en administratieve gegevens, gerechtigden tot sommen ineens en legitimarissen onvoldoende kunnen weten waarover zij eigenlijk (nadere) inlichtingen zouden (hebben) kunnen vragen.

De Raad geeft daarom in overweging om de artikelen 4.2A.2.9 en 4.3.3.9 zodanig uit te breiden ten gunste van gerechtigden tot sommen ineens en legitimarissen, dat deze in staat zijn hun bijzondere vorderingsrechten reëel en effectief uit te oefenen.

Zij zouden voor de uitoefening van deze rechten echter uitsluitend in dat opzicht gelijke rechten moeten kunnen doen gelden als de erfgenamen-deelgenoten, totdat hun vorderingen objectief tegenover de erfgenamen zijn vastgesteld en de desbetreffende nalatenschapsschulden geheel zijn voldaan door betaling en/of eventueel door inkorting van testamentaire makingen en/of van giften.

De wettekst is daarna aangepast naar de huidige versie.

Een legitimaris die tevens erfgenaam is, heeft recht op inzage in de administratie van de erflater. Die administratie behoort immers tot de nalatenschap.

Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW dienen de deelgenoten van die gemeenschap elkaar te informeren.

De rechtspositie van de legitimaris die ook erfgenaam is, is wat betreft het verkrijgen van informatie dus sterk.

Op grond van de wetsgeschiedenis stelt de kantonrechter vast dat de strekking van artikel 4:78 lid 1 BW is, dat een legitimaris/niet-erfgenaam zijn bijzonder vorderingsrecht reëel en effectief moet kunnen uitoefenen.

In verband hiermee heeft de Raad van State geadviseerd de rechtspositie van de legitimaris/niet-erfgenaam ten behoeve – uitsluitend – daarvan gelijk te schakelen met die van de erfgenaam-deelgenoot, totdat de vordering van de legitimaris tegenover de erfgenaam objectief is vastgesteld.

Uit de aanpassing van de ontwerptekst volgt, dat de wetgever het advies ter harte heeft genomen. Een legitimaris/niet-erfgenaam mag voor de berekening van zijn legitieme portie op grind van de wettekst immers aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden en de erfgenamen moeten hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen geven.

De grens van het recht op informatie ligt waar de verlangde informatie niet nodig is om de omvang van de legitieme portie te berekenen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt ook dat de vordering van de legitimaris objectief tegenover de erfgenamen moet kunnen worden vastgesteld.

Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat de legitimaris niet genoegen hoeft te nemen met een boedelbeschrijving met bijlagen, ook niet als deugdelijkheid ervan, zoals hier, door de erfgenaam onder ede is bevestigd.

De belangen van de erfgenaam en de legitimaris zijn tegengesteld, zoals de Raad van State met juistheid heeft overwogen.

De legitimaris heeft daarom recht en belang, net als de legitimaris-erfgenaam, zelf te kunnen beschikken over de administratieve gegevens die nodig zijn voor de berekening van zijn legitimaire vordering.

Uit artikel 4:67 BW volgt dat voor de berekening van de omvang van deze vordering de door de erflater gedane giften worden ingekort.

Die giften kunnen blijken uit de bankafschriften van de erflater.

X heeft daarom recht en belang bij deze bankafschriften.

Uitgaande van een voor de bank geldende bewaartermijn van zeven jaar (artikel 2:10 lid 3 BW), de datum van deze beschikking, en de overlijdensdatum, dient Y de bankafschriften van de erflater over de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met de datum van het overlijden, 20 november 2018, aan X in afschrift te verstrekken.

X heeft niet voldoende toegelicht en onderbouwd om welke reden hij de aangiften inkomstenbelasting 2012 tot en met 2018 nodig heeft om de omvang van zijn legitieme portie, met name de eventueel door de erflater aan Y gedane giften, te kunnen berekenen.

Niet aannemelijk is dat eventuele giften aan Y uit deze aangiften blijken, omdat die giften nu eenmaal niet in de aangiften inkomstenbelasting worden opgenomen.

Een eventuele afname van het vermogen in box 3 kan allerlei andere oorzaken hebben dan eventuele giften aan Y.

Dit onderdeel van het verzoek zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

De kantonrechter zal aan de veroordeling tot afgifte van de bankafschriften een dwangsom verbinden.

De dwangsom zal op een bedrag van € 200 per dag worden gesteld tot een maximum van € 50.000.

Y zal een termijn van 60 dagen na de dag van de betekening van deze beschikking worden gegeven om de bankafschriften te verzamelen en aan [X] te verstrekken. Het kan immers enige tijd duren alvorens de bankafschriften beschikbaar komen, mocht [Y] niet alle bankafschriften meer tot zijn beschikking hebben.

De kantonrechter zal het verzoek van [X] afwijzen om de deugdelijkheid en volledigheid van deze stukken (bedoeld zijn kennelijk de bescheiden waarvan de afgifte is verzocht) onder ede of belofte te bevestigen. Artikel 4:78 lid 2 BW heeft betrekking op de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving zelf. Niet op de bescheiden waarop de boedelbeschrijving is gebaseerd.

Artikel 4:78 lid 2 BW kent aan de legitimaris het recht toe aan de kantonrechter het in dit artikellid bedoelde verzoek te doen. Het artikellid kent geen, met het recht op informatie van de legitimaris/niet-erfgenaam, vergelijkbaar recht toe aan de erfgenaam. Waarschijnlijk doelt [Y] op artikel 4:78 lid 1 BW, maar daarvoor geldt hetzelfde.

De kantonrechter heeft uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting begrepen, kort gezegd, dat de erflater X ervan heeft verdacht gelden te hebben verduisterd.

Dat was ook de reden van de onterving.

In het testament staat dat X tijdens het leven van erflater zich structureel en jarenlang verschillende goederen, waaronder banktegoeden, (wederrechtelijk) heeft toegeëigend.

Daarover is en wordt (nu in cassatie) nog steeds geprocedeerd, zo begrijpt de kantonrechter uit de toelichtingen van partijen.

Afgezien van de omstandigheid dat X de gestelde wederrechtelijke toe-eigening heeft bestreden, biedt de wet geen formele grondslag voor de toewijzing van het verzoek van Y dat X moet opgeven wat hij zich wederrechtelijk zou hebben toegeëigend.

Dat ligt anders ten aanzien van de giften.

X dient op grond van artikel 6:2 BW opgave te doen van de giften die hij van de erflater heeft ontvangen.

Hij dient zich als schuldeiser te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Uit artikel 4:70 BW volgt dat de aan X eventueel gedane giften in mindering komen op diens legitieme portie.

Voor zover die giften al blijken uit de boedelbeschrijving van Y, heeft laatstgenoemde daarbij geen belang. Dit zijn de schenkingen op papier tot een totaalbedrag van € 132.608,45. Zijn verzoek zal daarom in aangepaste vorm worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.